ECLI:NL:RBDHA:2015:762
Rechtbank Den Haag · 27-01-2015 · zaaknummer 14/6712
Inhoudsindicatie
Intrekking verblijfsvergunning, artikel 3 EVRM, bahá’í-geloof. Eiseres was in het bezit van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder e, van de Vw 2000. Nu eiseres een van haar echtgenoot afhankelijk verblijfsrecht heeft – en niet op individuele gronden – en de verblijfsvergunning van haar echtgenoot is ingetrokken, kan zij niet langer rechtmatig verblijf ontlenen aan de verblijfsstatus van haar echtgenoot. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder bevoegd was de aan eiseres verleende verblijfsvergunning asiel met toepassing van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 in te trekken om de reden dat de grond voor verlening genoemd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 is komen te vervallen, en dat verweerder in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Verweerder heeft verder in redelijkheid kunnen overwegen dat niet geloofwaardig is dat eiseres (thans) is bekeerd tot het geloof van de bahá’í. Eiseres heeft in onderhavige procedure in de zienswijzen geen gewag gemaakt van het aanhangen van het geloof van de bahá’í. Eerst tijdens het gehoor van 19 november 2013 heeft eiseres verklaard dat zij tot de bahá’í behoort en dat Iran om die reden niet veilig voor haar is. Verweerder heeft daarop eiseres gevraagd naar haar vrees bij terugkeer naar Iran en gevraagd naar haar contacten met geloofsgenoten in Nederland en Iran. Tevens heeft verweerder gevraagd naar de wijze waarop eiseres in het dagelijks leven invulling geeft aan haar geloof en wat het geloof en haar levensvisie inhouden. Eiseres heeft daarop slechts summier geantwoord. De stelling van eiseres dat niet is gebleken dat over het geloof van eiseres gedetailleerde vragen zijn gesteld of dat is doorgevraagd, volgt de rechtbank dan ook niet. Verder heeft verweerder daarbij in redelijkheid kunnen betrekken dat de omstandigheid dat de echtgenoot van eiseres hier te lande activiteiten heeft verricht voor de Iraanse inlichtingendienst in belangrijke mate afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de asielmotieven van eiseres.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[eiseres]
eiseres · onbekend
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
