ECLI:NL:RBDHA:2015:760
Rechtbank Den Haag · 27-01-2015 · zaaknummer 14/4276
Inhoudsindicatie
Inreisverbod, intrekking verblijfsvergunning, individueel ambtsbericht AIVD, vergewisplicht, artikel 13 EVRM, artikel 47 Handvest, arrest Z.Z., effective legal remedy, adversarial proceedings, essentie van de redenen, artikel 3 EVRM. Bij besluit van 11 februari 2014 heeft verweerder eisers verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht ingetrokken op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000 en aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twintig jaar. Bij dit besluit is betrokken een individueel ambtsbericht van de AIVD. Na inzage van de stukken op het kantoor van de AIVD heeft de geheimhoudingskamer van de rechtbank bij beslissing van 26 augustus 2014 bepaald dat beperking van de kennisname van de stukken die aan het individuele ambtsbericht ten grondslag liggen gerechtvaardigd is. Dit ter bescherming van onder meer de bronnen, methoden en technieken waarop het door de AIVD verrichte onderzoek is gebaseerd. Op grond van de inhoud van de achterliggende stukken bij het ambtsbericht is een zwaarder gewicht toegekend aan het belang van de staatsveiligheid dat wordt gediend met de vertrouwelijkheid van de stukken dan aan het belang van eiser bij kennisneming van bedoelde stukken. De meervoudige kamer heeft op 7 november 2014 op het kantoor van de AIVD inzage gehad in de aan het individueel ambtsbericht ten grondslag liggende stukken. Aldus is naar het oordeel van de rechtbank in lijn met het arrest Z.Z. van het Hof van Justitie sprake van een doeltreffende rechterlijke toets van zowel de noodzaak om de bescherming van de staatsveiligheid te verzekeren door geheimhouding van de stukken die ten grondslag zijn gelegd aan het ambtsbericht als het bestreden besluit waaraan dit ambtsbericht ten grondslag is gelegd. De rechtbank is verder van oordeel dat overeenkomstig de lijn van het Hof aan eiser de essentie van de redenen die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen is medegedeeld. De conclusie dat eiser een gevaar vormt voor de nationale veiligheid is met concrete feiten omkleed, zoals de aansturing door het MOIS, de aard van de opdrachten die eiser uitvoerde en betalingen. Het ambtsbericht is concreet en de rechtbank heeft de stukken die aan deze concrete punten ten grondslag zijn gelegd ingezien. De stukken vormen een voldoende feitelijke grondslag voor de in het ambtsbericht vermelde feiten en omstandigheden. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat het door de AIVD gestelde in het ambtsbericht nader had dienen te worden geconcretiseerd of gemotiveerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het ambtsbericht aangevoerd. Hetgeen eiser heeft aangevoerd is algemeen van aard is en is gebaseerd op niet nader gestaafde veronderstellingen en vermoedens. De verklaringen en brieven van derden die eiser heeft overgelegd alsmede de overgelegde rapporten over de werkwijze van de MKO en de positie van voormalige MKO-leden, acht de rechtbank, bezien in het licht van wat de rechtbank door inzage van de achterliggende stukken van het ambtsbericht bekend is geworden, evenmin toereikend om als concrete aanknopingspunten als hiervoor bedoeld aan te merken. De rechtbank heeft voorts geen aanwijzingen gevonden voor eisers stelling dat de AIVD zich heeft gebaseerd op bronnen die gelieerd zijn aan de MKO dan wel dat eiser zonder dat hij het wist zich heeft ingelaten met het MOIS. Mitsdien rustte er op verweerder geen vergewisplicht en was verweerder niet gehouden de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende stukken in te zien. Verweerder heeft, ook zonder kennisneming van de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende stukken, de conclusie van de AIVD dat eiser een gevaar voor de nationale veiligheid vormt aan zijn besluit ten grondslag mogen leggen. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er geen reden om aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar Iran een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling van de zijde van de Iraanse autoriteiten. Dat eiser zich vanwege zijn lichamelijke en psychische gesteldheid in Iran niet zal kunnen handhaven en dat ook om die reden een schending van artikel 3 van het EVRM dreigt, volgt de rechtbank evenmin. De rechtbank stelt vast dat eiser tegen het aan hem uitgevaardigde inreisverbod niet meer of andere gronden heeft ingediend dan de gronden die zich richten tegen het besluit van verweerder dat eiser een gevaar vormt voor de nationale veiligheid en dat van schending van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Iran geen sprake is. Nu deze gronden blijkens hetgeen te dien aanzien hiervoor overwogen is niet slagen, bestaat er evenmin grond voor het oordeel dat het tegen eiser uitgevaardigde inreisverbod voor de duur van twintig jaar niet in rechte stand kan houden.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
