ECLI:NL:RBDHA:2015:7227
Rechtbank Den Haag · 20-05-2015 · zaaknummer AWB 14/24192, 15/15698
Inhoudsindicatie
In het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bij zijn partner afgewezen, omdat eiser niet in het bezit is van een mvv. Eiser voert aan dat verweerder hem ten onrechte geen vrijstelling van het mvv-vereiste heeft verleend op grond van artikel 8 EVRM. In het verlengde hiervan voert eiser aan dat de belangenafweging in het kader van 8 EVRM ondeugdelijk is. Hoewel verweerder op zich niet ten onrechte is gekomen tot de door hem genoemde redenen van algemeen belang die zijn gemoeid met onverkorte toepassing van het mvv-vereiste, geeft het bestreden besluit er geen blijk van dat verweerder zich daarbij ook rekenschap heeft gegeven van de omstandigheid dat eiser, ondanks de intrekking van zijn verblijfsvergunning nadat hij meerderjarig was geworden, door de Nederlandse overheid ongemoeid is gelaten. Naar volgt uit het arrest Jeunesse, alsmede de arresten van het EHRM Nunez tegen Noorwegen, Butt tegen Noorwegen en Kaplan tegen Noorwegen, had verweerder, gezien de lange duur van het verblijf van eiser in Nederland, uitdrukkelijk aandacht moeten besteden aan het stilzitten van de Nederlandse overheid. Door dit na te laten heeft verweerder niet, althans niet kenbaar, alle daarvoor relevante feiten en omstandigheden bij zijn belangenafweging betrokken en is deze derhalve niet toereikend. Ook in andere opzichten, waaronder alle gestelde belangen van eiser en zijn gezin, waaronder in het bijzonder ook de medische situatie van de moeder van referente en de rol van referente als voogd van haar minderjarige zus indien moeder komt te overlijden, en de in verband daarmee ingeroepen subjectieve belemmering om zich buiten Nederland te vestigen, geeft het bestreden besluit er onvoldoende blijk van dat verweerder alle daarvoor relevante feiten en omstandigheden bij zijn belangenafweging heeft betrokken. Het standpunt van verweerder in het bestreden besluit dat de terminale ziekte van de moeder van referente en het voogdijschap van referente enkel ziet op het gezin van de moeder van referente en dat niet is gebleken van omstandigheden in het land van herkomst van eiser die voor het gezin van eiser een objectieve belemmering vormen om zich daar te vestigen, geeft er geen blijk van dat verweerder tevens de door eiser ingeroepen subjectieve belemmering (‘certain degree of hardship’) van hem en referente om in Angola te gaan wonen in ogenschouw heeft genomen. In het verweerschrift heeft verweerder zich weliswaar rekenschap gegeven van een ‘certain degree of hardship’ voor de dochter van eiser om naar Angola te vertrekken, maar niet van
Rechters
Advocaten
- B. Wegelin
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
