Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBDHA:2015:3286

Rechtbank Den Haag · 05-03-2015 · zaaknummer AWB 14/18220

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 24-03-2015
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Libië / intrekking verblijfsvergunning en afwijzing aanvraag verlenging / WBV 2014/36 / Werkinstructie 2014/10 / artikel 83 Vw / relevante wijziging van het recht / conclusie dat relaas ongeloofwaardig is onvoldoende daadkrachtig gemotiveerd / beroep gegrond De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op de inhoud van het algemeen ambtsbericht Libië van 25 mei 2012, op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat er door de val van Gaddafi sprake was van een wijziging van de omstandigheden in Libië met een voldoende ingrijpend en niet voorbijgaand karakter en dat niet aannemelijk is geworden dat asielzoekers, na en ondanks de val van het Gaddafi-regime, op 20 juli 2012 bij terugkeer een reëel risico op behandeling in strijd met artikel 3 EVRM liepen, enkel omdat zij in West-Europa asiel hebben aangevraagd. Verweerder heeft zich, gelet op de inhoud van het ambtsbericht en het op grond van die informatie gewijzigde beleid, dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de grond waarop aan eiser met ingang van 16 februari 2009 een verblijfsvergunning asiel is verleend, met ingang van 20 juli 2012 is komen te vervallen. De rechtbank maakt uit WBV 2014/36 en de bijbehorende Werkinstructie 2014/10, waarop eiser een beroep heeft gedaan, (onder meer) op dat bij de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling alle relevante omstandigheden van het geval betrokken en in onderlinge samenhang gewogen dienen te worden. Voorts stelt de rechtbank vast dat de feiten en omstandigheden genoemd in artikel 31, tweede lid, Vw, nog immer relevant blijven, doch – anders dan voorheen – niet kunnen leiden tot een ander toetsingskader en een op voorhand verzwaarde bewijslast op de vreemdeling. De toets van de positieve overtuigingskracht is daarmee komen te vervallen. Reeds gelet op deze wijzigingen merkt de rechtbank WBV 2014/36 en de daarbij horende Werkinstructie - anders dan verweerder - aan als een wijziging van het beleid. De volgende vraag die voorligt is of deze beleidswijziging relevant kan zijn voor het bestreden besluit. De rechtbank is met eiser van oordeel dat dat het geval is en acht daarvoor het navolgende redengevend. Allereerst acht de rechtbank van belang dat verweerder artikel 31, tweede lid, Vw heeft tegengeworpen aan eiser en om die reden de toets van de positieve overtuigingskracht heeft toegepast. In het in het bestreden besluit herhaalde en ingelaste voornemen is vervolgens overwogen ‘dat sprake is van een tegenstrijdigheid op het niveau van de relevante bijzonderheden, nu eiser enerzijds heeft verklaard dat hij werd gezocht in de periode van 2000 en 2006 en er meermaals een arrestatiebevel tegen hem is uitgevaardigd, doch anderzijds heeft verklaard dat hij in deze periode in staat was een paspoort te verkrijgen en met dit paspoort in staat is geweest op legale wijze Libië in en uit te reizen en dat zijn desertie bekend was bij de autoriteiten.’ Vervolgens wordt geconcludeerd dat het asielrelaas positieve overtuigingskracht ontbeert en blijft een zwaarwegendheidsbeoordeling van het relaas, dan wel gedeelten daarvan, achterwege. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet anders kan worden gelezen dan dat aan het gehele asielrelaas dat in 2009 naar voren is gebracht positieve overtuigingskracht wordt ontzegd op grond van de (enkele) geconstateerde tegenstrijdigheid op het niveau van de relevante bijzonderheden. De in WBV 2014/36 neergelegde integrale geloofwaardigheidsbeoordeling biedt geen ruimte (meer) voor deze handelwijze, waarbij het hele relaas ongeloofwaardig wordt geacht op basis van één tegenstrijdigheid op het niveau van de relevante bijzonderheden. Nu het WBV en de Werkinstructie voorts geen aanknopingspunten bieden voor verweerders betoog dat slechts gebeurtenissen die de directe aanleiding zijn geweest voor vertrek, volgens verweerder de desertie, aangemerkt kunnen worden als relevante elementen die dienen te worden beoordeeld en meegewogen, en verweerder de aan de desertie voorafgaande gebeurtenissen niet (op zichzelf, noch in onderlinge samenhang) op geloofwaardigheid heeft beoordeeld, kan WBV 2014/36 (en de bijbehorende Werkinstructie) relevant zijn voor het bestreden besluit. Niet op voorhand gezegd kan immers worden dat de (integrale) geloofwaardigheidsbeoordeling van de gebeurtenissen van vóór de desertie, zoals de dienstplicht, de gevangenschap en de martelingen, die overigens volgens eisers relaas verband houden met de desertie, niet tot een andere conclusie omtrent de geloofwaardigheid van (relevante elementen van) het in 2009 naar voren gebrachte asielrelaas kan leiden. Gelet op het voorgaande betrekt de rechtbank WBV 2014/36 (en de bijbehorende Werkinstructie 2014/10) op grond van artikel 83 Vw bij haar beoordeling. Nu verweerder ter zitting (meer subsidiair) het bestreden besluit gehandhaafd heeft, onder verwijzing naar artikel 83, vijfde lid, Vw, en daarmee nog immer het relaas dat eiser in 2009 naar voren heeft gebracht ongeloofwaardig heeft geacht op grond van één tegenstrijdigheid op het niveau van de relevante bijzonderheden, hij niet gevolgd kan worden in zijn standpunt dat er naast de desertie geen andere relevante elementen zijn, en dus ten onrechte heeft nagelaten alle relevante elementen vast te stellen en deze, afzonderlijk en in samenhang, te beoordelen, is de rechtbank met eiser van oordeel dat de conclusie dat het asielrelaas dat eiser in 2009 naar voren heeft gebracht ongeloofwaardig is, gelet op WBV 2014/36 en Werkinstructie 2014/10, onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd is door verweerder.

In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.

Partijen

  • [eiser]

    eiser · onbekend

  • de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie

    verweerder · overheid

Overheidspartijen

  • de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie

    verweerder

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.