ECLI:NL:RBDHA:2015:2929
Rechtbank Den Haag · 02-03-2015 · zaaknummer AWB 14/28138
Inhoudsindicatie
Asiel. WBV 2014/36, Werkinstructie 2014/10. Medische situatie en artikel 3 EVRM. C2/3.3 Vc en BMA-advies. Beroep gegrond. De rechtbank is van oordeel dat het WBV 2014/36 en de bijbehorende Werkinstructie 2014/10 niet relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de voorliggende zaak, nu verweerder de conclusie dat het relaas van eiseres ongeloofwaardig is niet heeft gebaseerd op een enkel(e) hiaat, vaagheid, ongerijmde wending of tegenstrijdigheid op het niveau van de relevante bijzonderheden. Eiseres heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat verweerder geen relevante elementen van haar asielrelaas buiten zijn geloofwaardigheidsbeoordeling heeft gelaten. Evenmin is er grond voor het oordeel dat verweerder aan het ontbreken van documenten of aan het door eiseres aanvankelijk opgeven van een valse naam onder toepassing van voornoemd WBV in haar zaak een minder zwaar gewicht kan toekennen. Ondanks dat verweerder wegens het ontbreken van identiteits-, nationaliteits- en reisdocumenten het bepaalde in artikel 31, tweede lid, onder f, Vw bij zijn beoordeling heeft betrokken en verweerder op grond daarvan heeft geconcludeerd dat van het asielrelaas van eiseres een positieve overtuigingskracht dient uit te gaan, en verweerder zich voorts op het standpunt heeft gesteld dat wegens het opgeven van wisselende personalia, wordt getwijfeld aan de oprechtheid van de verklaringen van eiseres, heeft dat niet ertoe geleid dat verweerder het asielrelaas van eiseres niet alsnog integraal heeft beoordeeld. Daarbij komt dat ook op grond van het beleid, neergelegd in WBV 2014/36, verweerder het toerekenbaar niet overleggen van reis- en identiteitsdocumenten bij zijn beoordeling zal betrekken en weegt, gelet op het bepaalde onder 3.2.1.2 van Werkinstructie 2014/10, het verstrekken van valse personalia zwaar in het nadeel van de vreemdeling mee. Nu eiseres niet nader heeft geconcretiseerd waarom de beoordeling, die verweerder per 1 januari 2015 verricht, in haar zaak tot een ander geloofwaardigheidsoordeel kan leiden, zal de rechtbank WBV 2014/36 en de bijbehorende Werkinstructie niet bij de beoordeling van het beroep betrekken. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op de aan hem bekende medische situatie van de zoon van eiseres en de nadien in beroep door eiseres gegeven medische onderbouwing daarvan, niet, zonder daarover het BMA om advies te vragen, op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van een ziekte in een vergevorderd of direct levensbedreigend stadium en dat de behandeling van de zoon van eiseres in Mongolië voldoende adequaat is om schending van artikel 3 EVRM te voorkomen, nog daargelaten dat eiseres heeft verklaard dat zij Mongolië (mede) heeft verlaten wegens het ontbreken van adequate behandeling voor haar zoon. Blijkens het beleid, neergelegd in paragraaf C2/3.3 Vc, beoordeelt verweerder deze omstandigheden immers mede op basis van een actueel BMA-advies.
Rechters
Advocaten
- M. Haanstra
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[eiseres]
eiseres · onbekend
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
