Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBDHA:2015:2810

Rechtbank Den Haag · 13-03-2015 · zaaknummer 14/23827

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 16-03-2015
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

integrale geloofwaardigheidsbeoordeling; WBV 2004/36; Werkinstructie 2014/10; artikel 83 Vw; relevante wijziging van het recht De rechtbank verwerpt de stelling van verweerder dat het WBV 2014/36 en de Werkinstructie 2014/10 niet op de voet van artikel 83 van de Vw 2000 bij de beoordeling van het beroep kunnen worden betrokken, om de enkele reden dat het onderhavige besluit gedateerd is vóór de datum van inwerkingtreding van het WBV op 1 januari 2015. Uit de bewoordingen van artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 volgt expliciet dat de rechtbank bij de beoordeling van het beroep rekening kan houden met wijzigingen van beleid die na het bestreden besluit zijn bekendgemaakt. Uit het WBV 2014/36 volgt bovendien de onmiddellijke werking van de regeling en er is geen voorbehoud gemaakt voor lopende procedures. De rechtbank voegt daaraan toe dat niet alleen het WBV 2014/36, maar ook de Werkinstructie 2014/10 als beleid in de zin van artikel 83 Vw 2000, in samenhang met artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dient te worden aangemerkt. De Werk-instructie 2014/10 is bij besluit vastgesteld, openbaar gemaakt en bevat een nadere concretisering omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten en de uitleg van wettelijke voorschriften. (…) Het afschaffen van de verzwaarde bewijslast en de hiervoor genoemde wijzigingen vormen naar het oordeel van de rechtbank een wijziging van beleid als bedoeld in artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. (…) De rechtbank ziet zich tot slot voor de vraag gesteld of het gewijzigde beleid relevant kan zijn, als bedoeld in artikel 83, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Ook deze vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend. Allereerst acht de rechtbank daartoe redengevend dat verweerder bij de beoordeling van de geloofwaardigheid in het bestreden besluit de verzwaarde bewijslast van de positieve overtuigingskracht heeft gehanteerd en niet op voorhand kan worden uitgesloten dat toepassing van de integrale geloofwaardigheidstoets tot een andere uitkomst kan of zal leiden. Dit klemt te meer daar verweerder het ontbreken van de positieve overtuigingskracht uitsluitend heeft gebaseerd op als vreemde, bevreemdingwekkend of opmerkelijk gekwalificeerde verklaringen van eiseres. (…) In het licht van het voorgaande had verweerder aanleiding moeten zien om te motiveren waarom het ingeroepen beleid geen aanleiding gaf het bestreden besluit te wijzigen (of in te trekken). Ter zitting heeft verweerder weliswaar gesteld dat ook bij een integrale geloofwaardigheidstoets de verklaringen van eiseres ongeloofwaardig worden geacht, maar verweerder heeft dat niet op de in het WBV 2014/36 en de Werkinstructie 2014/10 beschreven wijze inzichtelijk gemaakt.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.

Partijen

  • [eiseres]

    eiseres · onbekend

  • de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie

    verweerder · overheid

Overheidspartijen

  • de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie

    verweerder

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.