Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBDHA:2015:1822

Rechtbank Den Haag · 27-01-2015 · zaaknummer C-09-474592 - FA RK 14-7679

Civiel recht; Personen- en familierechtGepubliceerd 23-02-2015
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Verzoek vader tot teruggeleiding minderjarige naar Bulgarije. Minderjarige – die 8 jaar oud is – verblijft met zijn moeder in Nederland. Mede gelet op het verweer van de moeder en de verklaringen van de minderjarige in het kindgesprek, heeft de rechtbank de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek te verrichten (rijpheid minderjarige, ernstig risico lichamelijk of geestelijk gevaar/ ondragelijke toestand, aanwezigheid adequate voorzieningen). De rechtbank: oordeelt dat sprake is van een ongeoorloofde achterhouding van de minderjarige in Nederland. oordeelt dat geen sprake is van de door de moeder aangevoerde weigeringsgronden (berusting, ondragelijke toestand en verzet). beslist tot teruggeleiding. oordeelt dat gevaar bestaat van onttrekking. Daarom wordt het verzoek van de vader tot voorlopige voogdij op de voet van artikel 13 lid 4 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering toegewezen. Het is niet gewenst dat in het kader van deze voorlopige voogdij de minderjarige uit huis wordt geplaatst zolang hij in Nederland verblijft, zodat de rechtbank aan Stichting Jeugdbescherming West Haaglanden alle bevoegdheden ten aanzien van de persoon en het vermogen van voornoemde minderjarige toekent, met uitzondering van de bevoegdheid om zijn verblijf bij zijn moeder te wijzigen. wijst het verzoek van de Raad tot voorlopige voogdij op grond van artikel 1:241 BW wegens gebrek aan belang af. acht het met de Raad van belang dat zowel tijdens als ook na de teruggeleiding professionele hulpverlening wordt ingezet om de bedreiging in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen. De voorlopige voogdij op de voet van artikel 13 lid 4 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering verliest haar kracht zodra de minderjarige naar Bulgarije is teruggeleid. Deze maatregel van voorlopige voogdij is derhalve ontoereikend om continuering van de hulpverlening te garanderen. oordeelt dat de in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling aanwezig zijn. De verwachting is gerechtvaardigd dat de ouders na afronding van het hulpverleningstraject in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige weer zelf te kunnen dragen, zodat ook aan de overige voorwaarden voor ondertoezichtstelling is voldaan. De ondertoezichtstelling wordt voor de duur van een jaar uitgesproken. De rechtbank gaat ervan uit dat de Raad alles in het werk zal stellen deze kinderbeschermingsmaatregel – via de Centrale Autoriteit – over te dragen aan de daartoe bevoegde instanties in Bulgarije. De beschikking is alleen met betrekking tot de voorlopige voogdij uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.