ECLI:NL:RBDHA:2015:14602
Rechtbank Den Haag · 10-12-2015 · zaaknummer AWB 15/16834
Inhoudsindicatie
[beoordeling kennelijke ongegrondheid asielaanvraag; overgangsrecht in Richtlijn 2013/32] De rechtbank ziet aanleiding om, nu eiseres beroepsgronden heeft aangevoerd tegen het standpunt van verweerder dat sprake is van een kennelijk ongegronde asielaanvraag, en gelet op de procedurele gevolgen van deze afwijzingsgrond, deze beroepsgronden te bespreken. Het betoog dat verweerder, gelet op artikel 31, achtste lid, van Richtlijn 2013/32 de asielaanvraag van eiseres, die niet in een versnelde asielprocedure is behandeld, niet als kennelijk ongegrond kon afwijzen faalt. Deze bepaling behelst geen verplichting voor verweerder om een versnelde asielprocedure toe te passen teneinde asielaanvragen als kennelijk ongegrond te kunnen afwijzen. Dit artikellid staat derhalve niet in de weg aan het als kennelijk ongegrond beschouwen van een asielaanvraag buiten deze versnelde asielprocedure. Het betoog dat, gelet op de in artikel 52 van Richtlijn 2013/32 opgenomen overgangsbepalingen, die uitgaan van eerbiedigende werking, de asielaanvraag van eiseres onderworpen is aan de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van Richtlijn 2005/85 en verweerder de aanvraag derhalve niet als kennelijk ongegrond kon beschouwen, het beroep tegen een afwijzende beslissing op een asielaanvraag in de verlengde asielprocedure schorsende werking dient te hebben en haar een ruimere beroepstermijn ter beschikking dient te staan faalt. Hoewel het in nationale regelgeving opgenomen overgangsrecht afwijkt van dat in Richtlijn 2013/32 behoeft de vraag in hoeverre dat toelaatbaar is geen bespreking. Reeds op grond van Richtlijn 2005/85 bestond de mogelijkheid om een asielaanvraag als kennelijk ongegrond te beschouwen (artikel 28 lid 2 van Richtlijn 2005/85). Het overgangsrecht in Richtlijn 2013/32 staat daarom niet in de weg aan het aanmerken van een asielaanvraag als kennelijk ongegrond op voor 20 juli ingediende asielaanvragen. Uit de bepalingen van Richtlijn 2005/85 volgt verder dat lidstaten termijnen kunnen vaststellen opdat de asielzoeker zijn recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel kan uitoefenen (artikel 39, tweede lid) en dat een lidstaat regels mag stellen over de schorsende werking van een beroep (artikel 39, derde lid). Dat de in deze zaak gehanteerde termijnen en het ontbreken van schorsende werking strijd opleveren met Richtlijn 2005/85 heeft eiseres ook overigens niet onderbouwd. Dat bij implementatie van Richtlijn 2005/85 andere keuzen zijn gemaakt dan bij implementatie van de Richtlijn doet aan het voorgaande niet af.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
