Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBDHA:2015:12342

Rechtbank Den Haag · 12-10-2015 · zaaknummer AWB 15/16979, 15/16981

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 28-10-2015
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

GEAS-zaak. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, Vw in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, Vw. Het beroep is gegrond wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb. Eiser voert aan dat verweerder bij de beoordeling van het asielrelaas een aantal relevante elementen ten onrechte niet heeft genoemd. De rechtbank begrijpt de beroepsgrond aldus dat eiser met de door hem genoemde “elementen”, die de algemene situatie in Irak en Basra betreffen, beoogt te stellen dat het individuele relaas van eiser past binnen hetgeen over de algemene situatie in het land van herkomst bekend is, zodat verweerder dat relaas aannemelijk had moeten achten. Hoewel de rechtbank eiser volgt in het standpunt dat informatie over de algemene situatie in het land van herkomst relevant is voor de beantwoording van de vraag of de verklaringen van de vreemdeling over wat hij zelf heeft meegemaakt geloofwaardig zijn, maakt dit nog niet dat het individuele relaas, indien dit in algemene zin past in hetgeen bekend is over het land van herkomst, reeds daarom als aannemelijk moet worden aangemerkt. De verklaringen van de vreemdeling moeten immers ook als zelfstandig onderdeel op geloofwaardigheid worden beoordeeld en in hun onderlinge samenhang worden bezien. In dit verband is relevant hetgeen verweerder in zijn openbare Werkinstructie 2014/10 heeft neergelegd met betrekking tot de door hem gevolgde handelwijze bij de beoordeling van asielaanvragen. Niet kan worden gezegd dat verweerder onjuist heeft gehandeld door niet (reeds) naar aanleiding van de door eiser in de beroepsgrond genoemde “elementen” het individuele relaas van eiser als geloofwaardig aan te merken. Met de vaststelling dat eiser zijn verklaringen over het relevante element 3 (zijn kennis van corruptie) niet heeft gestaafd met documenten, handelt verweerder mede gelet op hetgeen in artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn (Richtlijn 2011/95/EU) is bepaald over het (niet) gunnen van het voordeel van de twijfel, niet in strijd met het beginsel van fair play. Eiser heeft immers geen bevredigende verklaring gegeven over het ontbreken van documenten die de gestelde corrupte praktijken op het Ministerie staven, terwijl evenmin wordt voldaan aan de voorwaarde dat vast is komen te staan dat eiser in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd. De rechtbank heeft vervolgens beoordeeld of verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, aanhef sub d, Vw, waardoor de aanvraag als kennelijk ongegrond kan worden beschouwd. De rechtbank volgt eiser in het standpunt dat aan hem niet kan worden tegengeworpen dat hij het wegens het ontbreken van het overleggen van zijn Irakese paspoort en gebruikte reisbescheiden onmogelijk heeft gemaakt om vast te stellen op welke datum eiser Irak heeft verlaten of dat eiser wellicht elders rechtmatig verblijf zou hebben. Dit is immers niet relevant omdat het blijkens de bewoordingen in artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, Vw daarin uitsluitend gaat om het vernietigen of het zich ontdoen van identiteits- of reisdocumenten die ertoe konden bijdragen dat de identiteit of de nationaliteit (cursivering door rechtbank) van de betrokken vreemdeling werd vastgesteld. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich met betrekking tot het identiteitsdocument dat eiser thuis heeft laten liggen en met betrekking tot het Irakese paspoort dat eiser naar eigen zeggen heeft ingeleverd bij de reisagent in ruil voor het valse Maltese paspoort, ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er sprake is van “kwade trouw” als genoemd in artikel 30b, eerste lid, onder d, Vw, gelet op hetgeen in de Nota van verslag van de Tweede Kamer en de Memorie van Antwoord van de Eerste Kamer staat vermeld. Voor zover er met betrekking tot het vernietigen van het Maltese paspoort sprake is van kwade trouw, kan dit niet aan eiser worden tegengeworpen, nu dit een vals paspoort betrof en dit document daarmee niet kon bijdragen aan de vaststelling van eisers identiteit en nationaliteit.

In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.

Partijen

  • [eiser]

    eiser · onbekend

  • de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie

    verweerder · overheid

Overheidspartijen

  • de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie

    verweerder

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.