Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBDHA:2015:11328

Rechtbank Den Haag · 08-09-2015 · zaaknummer 15 _ 7085VK

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 01-10-2015
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

MK. Eritrea. Aanvraag asielvergunning afgewezen en oplegging inreisverbod voor de duur van tien jaar wegens toepasselijkheid artikel 1(F) Vluchtelingenverdrag. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank op basis van de verklaring van eiser, de algemeen bekende situatie in Eritrea en de erbarmelijke situatie in het kamp Sawa uit mogen gaan van ‘knowing participation’ bij eiser en dit ook afdoende gemotiveerd. Verweerder heeft aangetoond dat het Eritrese leger zich op systematische wijze en op grote schaal schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten die genoemd worden in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Eiser moet hebben geweten van de praktijken in het kamp. De enkele stelling dat eiser van niets zou weten en ook geen getuige is geweest van de strafbare feiten is onvoldoende om tot het oordeel te komen dat sprake is van een significante uitzondering. Dit geldt temeer nu eiser een behoorlijk aantal jaren, te weten van 2005-2011 werkzaam is geweest in kamp Sawa. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank ook voldoende gemotiveerd dat sprake is van ‘personal participation’. Het betoog van eiser dat hij geen rechtstreekse en wezenlijke invloed heeft gehad op de 1(F) handelingen in Sawa wordt niet gevolgd. Eiser heeft als bewaker en trainer van de rekruten de misdrijven gefaciliteerd. Dat hij naar gesteld zelf geen 1(F) handelingen heeft verricht en zelf een goede verstandhouding probeerde te hebben met zijn rekruten pleit hem niet vrij van enige betrokkenheid bij bestraffingen die volgden nadat hij een incident had gemeld. Dat eiser niet zou weten wat er vervolgens met de persoon gebeurde heeft verweerder met verwijzing naar hetgeen is overwogen onder ‘knowing participation’ terecht ongeloofwaardig geacht. Voorts heeft verweerder mogen tegenwerpen dat eiser zijn verklaringen op dit punt heeft bijgesteld. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van dwang van de zijde van de Eritrese autoriteiten en dat hij zich niet eerder aan zijn werkzaamheden kon onttrekken. De rechtbank overweegt dat verweerder, gelet op hetgeen eerder is overwogen, terecht artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing heeft geacht, zodat de omstandigheid als bedoeld in artikel 6.5a, vijfde lid onder c, van het Vb 2000 zich voordoet. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4530) noopt de omstandigheid dat artikel 3 van het EVRM zich verzet tegen uitzetting van eiser naar zijn land van herkomst niet tot het afzien van het opleggen van een inreisverbod. Beroep tegen het inreisverbod is ongegrond. Beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is niet-ontvankelijk.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Partijen

  • [eiser]

    eiser · onbekend

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.