ECLI:NL:RBDHA:2014:9988
Rechtbank Den Haag · 04-03-2014 · zaaknummer 08/9429
Inhoudsindicatie
Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen omdat er, gelet op eisers verklaringen dat hij als officier en hoofdofficier werkzaam is geweest voor de KhAD, ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij misdrijven heeft gepleegd als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van nova of een relevante wijziging van het recht, zodat voor een hernieuwde rechterlijke toetsing hiervan geen plaats is. De rechtbank is ten aanzien van het door eiser gestelde risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM van oordeel het aan verweerder is om te onderbouwen dat het risico dat ten aanzien van eisers echtgenote in ieder geval vanaf 15 januari 2001 is aangenomen, niet tot gevolg heeft dat eiser zelf ook dit risico loopt. Dit volgt uit de door eiser aangehaalde EHRM arresten Bader e.a. tegen Zweden van 8 november 2005, D. e.a. tegen Turkije van 22 juni 2006 en Mayeka en Mitunga tegen België van 12 oktober 2006. Verder is de rechtbank met eiser van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken dat het evangeliseren voor eiser persoonlijk bijzonder belangrijk is om zijn godsdienstige identiteit te bewaren. De bestreden besluiten zijn hierom in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank stelt verweerder middels deze tussenuitspraak in de gelegenheid voornoemde gebreken te herstellen.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
