ECLI:NL:RBDHA:2014:6711
Rechtbank Den Haag · 28-05-2014 · zaaknummer 13/16949 en 13/16950
Inhoudsindicatie
Verweerder heeft met de in het voornemen en het besluit opgenomen verwijzingen naar verschillende bronnen onvoldoende concreet naar tijd en plaats aannemelijk weten te maken dat aan eiser, vanwege zijn positie binnen de FNI, dan wel bij de Bedu-Ezekere Groupement, de FRPI of de FNI/FRPI-alliantie, artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag kan worden tegengeworpen. Verweerder heeft verder aan de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag ten grondslag gelegd dat eiser als oprichter en voorzitter van de MRC verantwoordelijk is voor de door deze groepering gepleegde misdrijven tegen burgers en de inzet van kindsoldaten. Verweerder heeft ook hier nagelaten nader naar tijd en plaats te concretiseren of eiser zeggenschap en controle had met betrekking tot de elementen van de MRC die voor de misdrijven verantwoordelijk zijn geweest. De bronnen die verweerder hieraan ten grondslag heeft gelegd, bieden hiervoor weliswaar aanknopingspunten, maar zijn op zichzelf onvoldoende concreet om tot die conclusie te komen. Met betrekking tot de vermelding van eisers naam op de lijst van personen aan wie VN-sancties zijn opgelegd stelt de rechtbank vast dat onduidelijk is wanneer eiser op deze lijst is gezet en wat daarvoor de directe aanleiding is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank is in ieder geval niet uitgesloten dat eisers opname op de lijst verband houdt met zijn vervolging bij het ICC. Verweerder is hier dan ook ten onrechte niet op ingegaan. Dat klemt te meer nu eiser op 18 december 2012 is vrijgesproken door het ICC van de hem ten laste gelegde feiten. Verweerder heeft dan ook ten onrechte geen nader onderzoek gedaan naar de datum en de reden van opname van eiser op de bedoelde VN-lijst. Verweerder heeft ook ten aanzien van de tegenwerping van het rekruteren van kindsoldaten ten onrechte nagelaten nader onderzoek te verrichten. Zo heeft verweerder niet onderzocht of aan het bericht van de Speciaal Afgezant dat eiser in 2006 betrokken is geweest bij het rekruteren van kindsoldaten een rapportage ten grondslag ligt en, zo ja, op welke feitelijke informatie deze rapportage is gebaseerd. Blijkens het bestreden besluit kon eiser naar het oordeel van de griffie van het ICC op dat moment niet vertrekken en had hij recht op de bescherming van artikel 68 van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof. Desondanks heeft verweerder in het bestreden besluit opgenomen dat de afwijzing van de asielaanvraag tevens een terugkeerbesluit inhoudt en dat op eiser een onmiddellijke vertrekplicht rust. Naar het oordeel van de rechtbank verhoudt het opleggen van een dergelijke ongeclausuleerde vertrekplicht zich niet met de op dat moment geldende maatregelen van het ICC, waaraan de Nederlandse staat was gebonden.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
