ECLI:NL:RBDHA:2014:6275
Rechtbank Den Haag · 28-04-2014 · zaaknummer AWB 13/10304
Inhoudsindicatie
einduitspraak, gebrek niet hersteld, herhaalde asielaanvraag, geloofwaardigheid bekering De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het aanvullend besluit, naar aanleiding van de in de tussenuitspraak van 24 december 2014 (ECLI:NL:RBDHA:2013:18615), nog steeds niet heeft toegelicht waarom eisers verklaringen over zijn innerlijke proces dat aan zijn bekering vooraf zou zijn gegaan, niet toereikend zouden zijn. Hiermee heeft verweerder het in de tussenuitspraak geconstateerde motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek niet hersteld. Ten aanzien van verweerders standpunt in het aanvullend besluit dat het gewicht van de in de Afdelingsuitspraak van 24 mei 2013 genoemde beoordelingselementen niet vastligt en dat per individueel geval dient te worden beoordeeld of overtuigende verklaringen zijn afgelegd op alle drie de elementen, stelt de rechtbank vast dat verweerder opnieuw eisers verklaringen over zijn Bijbelkennis en zijn kerkbezoek op zichzelf heeft bezien en niet in samenhang met de andere - in rechtsoverweging 4.7 van de tussenuitspraak - vermelde omstandigheden. Met de enkele stelling van verweerder, dat aan de aanwezigheid van Bijbelkennis en het regelmatig bezoeken van een kerk in het onderhavige geval geen doorslaggevende betekenis wordt toegekend, geeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank nog steeds geen inzicht in de weging van de in de Afdelingsuitspraak van 24 mei 2013 aangehaalde elementen die verweerder volgens zijn vaste gedragslijn betrekt bij de beoordeling van de bekering. Verweerders standpunt in het aanvullend besluit over het gewicht dat moet worden toegekend aan de tegenwerping dat eiser heeft verklaard dat hij Pinksteren op 13 januari 2013 heeft gevierd, is eveneens ontoereikend. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 4.6.2 van de tussenuitspraak, samengevat, overwogen dat verweerder in redelijkheid aan eiser heeft kunnen tegenwerpen dat hij niet bij benadering heeft kunnen aangeven wanneer dit feest wordt gevierd, maar dat uit de vaste gedragslijn van verweerder volgt dat niet reeds één tekortschietend antwoord op vragen over de gestelde bekering, die het niveau van de relevante bijzonderheden van het asielrelaas betreffen, ertoe leidt dat van het relaas geen positieve overtuigingskracht meer uitgaat. Verweerder stelt in het aanvullend besluit dat indien een bepaald element dermate belangwekkend is, dit element wel degelijk de doorslag kan geven. Uit het aanvullend besluit blijkt echter niet waarom eisers verklaring over Pinksteren rechtstreeks raakt aan het gestelde proces van bekering en de oprechtheid ervan. De rechtbank is van oordeel dat niet zonder meer valt in te zien dat Pinksteren moet worden aangemerkt als één van de hoogtijdagen van het christendom. Nu de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken niet zijn hersteld, ziet de rechtbank geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.
Advocaten
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
