ECLI:NL:RBDHA:2014:6253
Rechtbank Den Haag · 23-04-2014 · zaaknummer AWB 13/9417
Inhoudsindicatie
Herhaalde asielaanvraag, geloofwaardigheid bekering, Iran, vaste gedragslijn, onderscheid passieve en actieve bekering De vreemdeling, afkomstig uit Iran, heeft eerder asielaanvragen ingediend. Aan de huidige aanvraag legt zij ten grondslag dat zij zich in Nederland heeft bekeerd tot het Christendom. De rechtbank stelt vast dat de vreemdeling stelt zich na de beëindiging van de vorige asielprocedures te hebben bekeerd en dat zij een originele doopakte van oktober 2012 heeft overgelegd. De rechtbank acht in dit verband Afdelingsuitspraak (ECLI:NL:RVS:2013:101), ro. 4.1 van belang en oordeelt gelet hierop dat in de onderhavige zaak sprake is van een novum. De staatssecretaris heeft zich in het bestreden besluit voorts op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een overtuigde en oprechte bekering. De rechtbank stelt allereerst vast dat de staatssecretaris de inhoud van het algemene rapport van Van Saane niet heeft bestreden en heeft aangegeven niet te twijfelen aan het in dat rapport gemaakte onderscheid tussen passieve en actieve bekeringen. Wel trekt de staatssecretaris het op de vreemdeling toegesneden rapport in twijfel en daarmee de conclusies van Van Saane dat de vreemdeling een passieve bekeerling zou zijn en dat de bekering geloofwaardig is, nu Van Saane bij de beoordeling ervan uitgaat dat de drugsproblematiek van de echtgenoot de aanleiding tot de bekering vormde. De rechtbank stelt voorts vast dat de staatssecretaris de drugsproblematiek niet ongeloofwaardig acht. De rechtbank is van oordeel dat het rapport van Van Saane niet ter zijde kan worden geschoven, nu dit rapport inzichtelijk en concludent is en de deskundigheid van Van Saane niet is bestreden. Uit het rapport volgt naar het oordeel van de rechtbank dat, anders dan waar verweerder vanuit gaat, het onderscheid tussen passieve en actieve bekering van belang kan zijn bij de formulering van vragen tijdens het gehoor, de manier van vragen stellen en het gewicht dat aan de verklaringen over de bekering kan worden toegekend bij het beoordelen van de geloofwaardigheid daarvan. De rechtbank stelt vast dat uit het rapport van het gehoor opvolgende aanvraag niet is gebleken dat in geval van eiseres de vraagstelling gericht was op het type passieve bekering. Het bestreden besluit geeft daarnaast geen blijk van een weging van de antwoorden van eiseres, die past bij dit type bekering. Verweerder veronderstelt dat bij bekering sprake is van een weloverwogen en daadwerkelijke keuze. Uit het algemene rapport van Van Saane volgt echter dat bij een passieve bekering een weloverwogen keuze meestal ontbreekt. Het hiervoor aangeduide onderscheid tussen passieve en actieve bekering kan naar het oordeel van de rechtbank, naast de gevolgen voor de beoordeling van het motief en de aanleiding tot de bekering, ook gevolgen hebben voor de beoordeling van de andere, in de vaste gedragslijn aangeduide elementen zoals het proces van bekering en kennis van het geloof, en het gewicht dat daaraan wordt toegekend. De rechtbank is, gelet daarop, van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres onvoldoende heeft verklaard over haar proces van bekering, dat meerdere jaren heeft geduurd. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres onvoldoende kennis heeft van de inhoud van het geloof. Uit de verklaringen van Plaisier volgt niet dat niet van een geloofwaardige bekering sprake kan zijn als de 12 discipelen niet benoemd kunnen worden. Ook geeft hij aan dat van bekeerlingen weliswaar mag worden verwacht dat zij over basale kennis van het geloof beschikken, maar dat aan (het ontbreken van) kennis over Pinksteren geen doorslaggevend belang behoeft te worden gehecht. De rechtbank is van oordeel dat uit het bestreden besluit en het aanvullend standpunt niet blijkt dat verweerder de verklaringen van eiseres over haar geloofsovertuiging in hun onderlinge samenhang heeft bezien, zoals de vaste gedragslijn voorschrijft. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de in het besluit opgenomen motivering de conclusie dat sprake is van een ongeloofwaardige bekering niet kan dragen. Beroep gegrond.
Advocaten
- J.J. Wedemeijer
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[eiseres]
eiseres · onbekend
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
