Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBDHA:2014:4896

Rechtbank Den Haag · 31-03-2014 · zaaknummer AWB 11/19645; AWB 11/9726

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 18-04-2014
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Terugkeerbesluit, artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, inreisverbod, ongewenstverklaring, Turkije, artikel 3 van het EVRM, Terugkeerrichtlijn, artikel 6:19 Awb, anticiperende toepassing, procesbelang, ongedaanmaking, openbare orde, nationale veiligheid, openbare veiligheid, relevante nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, PKK, gelijkheidsbeginsel, knowing and personal participation, moord, oorlogsmisdrijven, ernstige niet politieke delicten, humanitaire of andere bijzondere redenen, duurzaam, duurzaamheidsvereiste, inspanningsverplichting, artikel 8 EVRM, privéleven, familieleven, inmenging, guiding principles, belangenafweging, fair balance, more than normal emotional ties, meerderjarige kinderen, minderjarige kinderen, Duitsland, vertrektermijn, artikel 1:3 Awb. Samenvatting: De rechtbank ziet uit overwegingen van proceseconomie aanleiding om – voor zover nodig met anticiperende toepassing van het nieuwe, ruimer geformuleerde, artikel 6:19 van de Awb – het beroep tegen het besluit van 23 mei 2011 op het bezwaar van eiser tegen het besluit tot ongewenstverklaring van 15 december 2009 van rechtswege mede gericht te achten tegen het besluit van 20 december 2012. Daartoe bestaat te meer aanleiding nu eiser voldoende gelegenheid heeft gehad zijn argumenten tegen het nieuwe besluit tot het opleggen van een inreisverbod naar voren te brengen en deze grotendeels identiek zijn aan de beroepsgronden tegen de ongewenstverklaring. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat het feitencomplex in wezen niet is veranderd ten opzichte van het aanvankelijk bestreden besluit. Verder zijn ook de rechtsgevolgen van het nieuwe besluit de facto nagenoeg hetzelfde als van het aanvankelijk bestreden besluit. Zo heeft het opgelegde inreisverbod voor de duur van 10 jaar met toepassing van artikel 66a, zevende lid, onder c en d, van de Vw 2000 dezelfde gevolgen als voorheen de ongewenstverklaring had ingevolge artikel 67, derde lid, van de Vw 2000. Tenslotte is verweerder ook los van het aanhangige beroep bevoegd om de ongewenstverklaring in te trekken en een inreisverbod op te leggen. Ook in dat geval zou het beroep tegen het aanvankelijk bestreden besluit zich van rechtswege ook richten tegen het nieuwe besluit. De rechtbank houdt het er, mede gezien de door verweerder gekozen formulering (‘ongedaan gemaakt’), voor dat verweerder ook niet de bedoeling heeft gehad het in bezwaar bestreden besluit te herzien, maar het te vervangen door een besluit dat in overeenstemming was met de inmiddels van kracht geworden Terugkeerrichtlijn. Nu de ongewenstverklaring ongedaan is gemaakt is het procesbelang aan het beroep van eiser hiertegen komen te ontvallen, zodat zijn beroep, voor zover het zich richt tegen de ongedaanmaking van de ongewenstverklaring, niet ontvankelijk wordt verklaard. De rechtbank stelt vast dat eiser al meer dan tien jaren in de situatie verkeert dat hij niet zal worden toegelaten in Nederland en dat ook niet zal worden uitgezet naar Turkije. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 10 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5032), volgt dat aan het criterium 'duurzaam' volgens paragraaf C4/3.11.3.4 van de Vc 2000 een termijn van tien jaren is verbonden. Echter, de in verweerders beleid neergelegde duurzaamheidstoets in ad a van deze paragraaf houdt mede in, dat eiser aannemelijk moet hebben gemaakt dat vertrek naar een ander land dan zijn land van herkomst, ondanks voldoende inspanningen om te voldoen aan zijn vertrekplicht, niet mogelijk is. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich voldoende heeft ingespannen om toegang tot Duitsland te krijgen. Zo is niet gebleken dat eiser zich in voldoende mate heeft ingespannen om te voldoen aan zijn vertrekplicht door met hulp van het IOM of DT&V contact te leggen met de autoriteiten van Duitsland teneinde te trachten om werkelijk toegang tot dat land te verkrijgen. Met de enkele poging zonder hulp van deze instanties af te reizen naar Duitsland heeft eiser niet voldoende aangetoond dat voor hem geen reëel perspectief op toelating tot dat land bestaat. Bij de vraag of de inmenging gerechtvaardigd is in de zin van artikel 8, tweede lid, van het EVRM bij een familieband tussen ouders en meerderjarige kinderen stelt de rechtbank – onder verwijzing naar rechtsoverweging 26 en 34 van de uitspraak van het EHRM in de zaak Ezzouhdi tegen Frankrijk van 13 februari 2000 (ECLI:NL:XX:2000:AP0755) – vast dat in dat geval de vraag of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen een vreemdeling en zijn meerderjarig familielid één van de wegingsfactoren is bij de volledige belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM. Ook volgt uit vaste rechtspraak van het EHRM – onder andere de zaak Butt tegen Noorwegen van 4 december 2012 (ECLI:NL:XX:2012:BZ0202) en de zaak Bousarra tegen Frankrijk van 23 september 2010 (ECLI:NL:XX:2010:BO3271), en de rechtspraak van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 18 oktober 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1610), dat in het kader van deze belangenafweging plaats is voor een beoordeling van de sterkte van de band tussen de personen die familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM hebben. Voor bescherming door artikel 8 van het EVRM van familie- of gezinsleven tussen volwassen familieleden is dus vereist dat sprake is van more than normal emotional ties. Een dergelijke band wordt aangenomen indien de bestaande relatie feitelijk, in psychische of materiële afhankelijkheid, in voldoende mate uitstijgt boven hetgeen bij relaties tussen dergelijke personen gebruikelijk is. De rechtbank is in dit geval niet gebleken van aanknopingspunten om te veronderstellen dat tussen eiser en zijn meerderjarige kinderen sprake is van een band die verder gaat dan gebruikelijk is in een relatie tussen zulke familieleden.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Partijen

  • [eiser]

    eiser · onbekend

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.