ECLI:NL:RBDHA:2014:4479
Rechtbank Den Haag · 11-04-2014 · zaaknummer 13/31665
Inhoudsindicatie
Eisers doen een beroep op de overgangsregeling langdurig in Nederland verblijvende kinderen (WBV 2013/1: ook wel aangehaald als kinderpardon). De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft de aanvraag afgewezen omdat de in 2001 in Nederland geboren eiser in 2004 met zijn moeder is teruggekeerd naar Mongolië (contra-indicatie e). De rechtbank stelt vast dat verweerder hiermee in overeenstemming met het beleid heeft gehandeld (r.o. 3.4) en geen aanleiding heeft hoeven zien om van de beleidsregel af te wijken (r.o. 3.6). Eisers komen dan ook niet in aanmerking voor het ‘kinderpardon’. De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft ook getoetst of uitzetting in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De twaalfjarige eiser beroept zich op het in Nederland opgebouwde privéleven; hij is in Nederland geboren, met zijn moeder rond zijn vierde levensjaar teruggekeerd naar Nederland, heeft de basisschool bijna volledig doorlopen en is diverse sociale contacten aangegaan. De gemachtigde van de Staatssecretaris heeft ter zitting naar voren gebracht dat behoudens contra-indicaties, een verblijfsvergunning zou zijn verleend indien uitzetting in strijd is met artikel 8 van het EVRM (r.o. 4 tot en met 4.5). De rechtbank heeft getoetst of verweerder het hierop van toepassing zijnde toetsingskader (r.o. 5 tot en met 5.4.) juist heeft toegepast (r.o. 6 tot en met 6.9). De rechtbank is daarbij tot het oordeel gekomen dat de Staatssecretaris onvoldoende gemotiveerd is ingegaan op een over eiser op 15 februari 2013 opgemaakte orthopedagogische rapportage en meer in het bijzonder de banden, contacten en (onderwijs)mogelijkheden voor eiser in Mongolië (r.o. 6.8.3. tot en met r.o. 6.8.5). De Staatssecretaris heeft dan ook niet deugdelijk gemotiveerd dat de weigering eiser(s) vrij te stellen van het vereiste over een geldige mvv te beschikken geen schending van het in artikel 8 van het EVRM neergelegde recht op eerbiediging van het privéleven betekent. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb. Verweerder dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Dit komt er op neer dat in bezwaar in ieder geval gemotiveerd moet worden ingegaan op de hiervoor vermelde gegevens en de uit deze gegevens voortvloeiende belangen van eiser om een vergunning te krijgen kenbaar dienen te worden afgewogen tegen het belang om geen vergunning te verlenen (r.o. 8).
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
[eiseres]
eiseres · onbekend
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
