ECLI:NL:RBDHA:2014:4389
Rechtbank Den Haag · 27-03-2014 · zaaknummer AWB 13/31636 13/31639
Inhoudsindicatie
Eiser stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van Griekenland niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, omdat Griekenland de rechten die hij als toegelaten vluchteling aan het Vluchtelingenverdrag, waaronder het recht op gezinshereniging neergelegd in artikel 8 EVRM, kan ontlenen, schendt, nu hem aldaar de mogelijkheid tot het uitoefenen van het recht op gezinshereniging reeds is, en ook opnieuw zal worden onthouden. De rechtbank overweegt dat, wat er ook zij van de vraag of eisers betoog dat hij als toegelaten vluchteling in Griekenland niet alle aan zijn vluchtelingenstatus te ontlenen rechten - waaronder zou vallen het recht op gezinshereniging - kan uitoefenen, kan leiden tot een geslaagd beroep op artikel 3, tweede lid, van de Verordening, verweerder kan worden gevolgd in zijn standpunt dat eiser reeds niet aannemelijk heeft gemaakt dat Griekenland hem geen gezinshereniging toestaat. Verweerder heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiser reeds een officiële aanvraag voor gezinshereniging heeft ingediend en evenmin dat dit in Griekenland, al dan niet in het kader van de asielprocedure, onmogelijk zou zijn, aangezien eiser zijn stellingen niet van enige onderbouwing heeft voorzien. De ter zitting door eiser gedane verwijzing naar genoemd arrest M.S.S. tegen België en Griekenland leidt niet tot een ander oordeel, omdat - zoals verweerder terecht stelt - dat arrest geen betrekking heeft op de mogelijkheden van gezinshereniging in Griekenland. Verweerder heeft in het bestreden besluit de door eiser gestelde (voortdurende) vrees voor vernederende behandeling door de Griekse fascisten in de beoordeling betrokken en een afdoende toegespitste motivering hierover gegeven. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser zijn (voortdurende) vrees slachtoffer te worden van geweld door de Griekse fascisten, en een eventueel voorkomende aanval, in Griekenland bij de Griekse autoriteiten naar voren kan en moet brengen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij de Griekse autoriteiten eerder om bescherming heeft gevraagd en evenmin dat de Griekse autoriteiten, indien hij om bescherming zal vragen, hem geen dan wel onvoldoende bescherming zouden kunnen bieden. De rechtbank concludeert dan ook dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding wordt gezien het asielverzoek aan zich te trekken op grond van artikel 3, tweede lid, van de Verordening.
Rechters
Advocaten
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
