ECLI:NL:RBDHA:2014:3470
Rechtbank Den Haag · 14-03-2014 · zaaknummer SHE 13/32741
Inhoudsindicatie
Voorlopige voorziening, ongewenstverklaring, familielid van een burger van de Unie, actuele en ernstige bedreiging, verblijfsrecht. Samenvatting Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bestaat echter twijfel of de bij besluit van 18 mei 2011 opgelegde ongewenstverklaring nog steeds geldt, omdat, zoals verzoekster in de gronden van het beroep van 17 januari 2014 terecht heeft opgemerkt, verweerder de aanvraag tot opheffing van die ongewenstverklaring bij besluit van 9 augustus 2013 heeft ingewilligd. Weliswaar heeft verweerder uiteengezet dat hij dat besluit van 9 augustus 2013 bij besluit van 15 oktober 2013 heeft ingetrokken en dat hij bij het bestreden besluit 2 opnieuw afwijzend heeft beslist op het verzoek om opheffing, maar de vraag is of deze handelwijze wel in overeenstemming is met het rechtszekerheidsbeginsel. In die twijfel ziet de voorzieningenrechter in de gegeven omstandigheden echter geen aanleiding het verzoek van verzoekster om een voorlopige voorziening toe te wijzen. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe dat redelijkerwijs uitgesloten moet worden geacht dat een eventuele vernietiging van het bestreden besluit 2 om reden dat de ongewenstverklaring vanaf 9 augustus 2013 niet meer geldt, tot gevolg heeft dat verzoekster in Nederland een rechtstreeks (van haar minderjarige kinderen afgeleid) aan het recht van de Europese Unie ontleend verblijfsrecht toekomt. Zoals hiervoor reeds overwogen, is onduidelijk op grond waarvan verzoekster in Nederland een dergelijk verblijfsrecht zou toekomen, terwijl verweerder ter zitting van de voorzieningenrechter zijn standpunt dat het persoonlijke gedrag van verzoekster een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt onverkort heeft gehandhaafd. Gezien de hiervoor onder 1.5 weergegeven strafbare feiten waaraan verzoekster zich schuldig heeft gemaakt en meer in het bijzonder de strafbare feiten die betrekking hebben op drugshandel, heeft verweerder zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht op dat standpunt kunnen stellen. Verweerder kan en zal, zo begrijpt de voorzieningenrechter dat standpunt van verweerder ter zitting van de voorzieningenrechter, een eventueel verblijfsrecht van verzoeker dus ontzeggen of beëindigen (artikel 8:22, eerste lid, van het Vb 2000). Voorts bestaat in hetgeen verzoekster over haar familie- en gezinsleven naar voren heeft gebracht geen aanknopingspunt voor de conclusie dat verweerder geen “fair balance” heeft gevonden tussen enerzijds het belang van verzoekster om het gezinsleven hier te lande met haar minderjarige kinderen uit te oefenen en anderzijds het algemeen belang dat is gediend met het voeren van een restrictief toelatingsbeleid, het beschermen van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder · overheid
[verzoekster]
verzoekster · onbekend
Overheidspartijen
Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
