ECLI:NL:RBDHA:2014:3345
Rechtbank Den Haag · 06-03-2014 · zaaknummer AWB 13/5337
Inhoudsindicatie
Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, AIVD, individueel ambtsbericht, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, artikel 8:29 Awb, inreisverbod voor de duur van twintig jaar, artikel 3 van het EVRM, nationale veiligheid, Guantanamo Bay, jihad, vergewisplicht, artikel 6 van het EVRM, paragraaf 121 van het UNHCR-Handboek, artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag Uit de uitspraak van de Afdeling van 4 juli 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AY3829, volgt dat indien uit een ambtsbericht van de AIVD op objectieve, onpartijdige en inzichtelijke wijze blijkt welke feiten en omstandigheden de AIVD aan de conclusie vervat in het ambtsbericht ten grondslag zijn gelegd en deze conclusie niet onbegrijpelijk is zonder nadere toelichting, voor verweerder geen aanleiding bestaat de aan dat ambtsbericht ten grondslag liggende stukken in te zien, tenzij de desbetreffende vreemdeling concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van dat ambtsbericht naar voren heeft gebracht. Uit die uitspraak volgt voorts dat er in beginsel van mag worden uitgegaan dat door de AIVD verricht onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat vermelding van de aan een ambtsbericht van de AIVD ten grondslag liggende bron, dan wel bronnen, achterwege mag blijven vanwege de vertrouwelijkheid ervan. De eerste vraag is dus of uit het ambtsbericht op objectieve, onpartijdige en inzichtelijke wijze blijkt, welke feiten en omstandigheden de AIVD aan de in het ambtsbericht vermelde conclusie dat eiser een gevaar vormt voor de nationale veiligheid ten grondslag heeft gelegd en of deze conclusie zonder nadere toelichting niet onbegrijpelijk is. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat het door de AIVD gestelde in het ambtsbericht nader had dienen te worden geconcretiseerd of gemotiveerd. Vervolgens is aan de orde of eiser concrete aanknopingspunten heeft aangevoerd voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het ambtsbericht. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Eiser heeft nagelaten zijn stelling dat de door eiser ondernomen reispogingen enkel als doel hadden het bezoeken van in Jemen en Egypte verblijvende bekenden van eiser met concrete informatie te onderbouwen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat uit het rapport van gehoor van 16 maart 2012 blijkt dat eiser heeft geweigerd verdere gegevens over deze personen te verstrekken. Eiser heeft ook anderszins geen onderbouwing van zijn stelling verschaft. Zo heeft eiser niet weersproken dat hij aanhanger is van het jihadistische gedachtegoed, maar heeft hij enkel aangevoerd dat het aanhangen van enig gedachtegoed ontoereikend is voor de door verweerder getrokken conclusie, omdat gedachten vrij zijn. De omstandigheid dat niet is gesteld dat eiser na zijn erkenning als vluchteling in Nederland strijdervaring heeft opgedaan en het feit dat bij toelating van eiser als vluchteling bekend was dat eiser als gevolg van zijn verblijf in Guantanamo Bay getraumatiseerd leveren geen concrete aanknopingspunten op als hier bedoeld. Verweerder was dus in dit geval niet gehouden om de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende stukken in te zien. De rechtbank wijst daarbij nog op de uitspraak van de Afdeling van 14 april 2009, zaaknummer 200802086/1, rechtsoverweging 2.1.7 en verder. Bovendien wordt in aanmerking genomen dat de rechtbank op 8 januari 2014 inzage heeft gehad in de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende stukken. De rechtbank is van oordeel dat deze stukken een voldoende feitelijke grondslag vormen voor de in het ambtsbericht vermelde feiten en omstandigheden en dat het onderzoek waarop het ambtsbericht is gebaseerd voldoende zorgvuldig is geweest. Gezien het vorenoverwogene heeft verweerder zich, ook zonder kennisneming van de aan het ambtsbericht ten grondslag liggende stukken, mogen baseren op de in het ambtsbericht getrokken conclusie dat eiser een gevaar voor de nationale veiligheid vormt. Het betoog dat eiser in strijd met artikel 6 van het EVRM geen kennis heeft kunnen nemen van de aan het individueel ambtsbericht ten grondslag liggende stukken faalt. Daarbij is van belang dat in zijn geval de rechtbank de niet aan hem ter kennis gebrachte stukken die ten grondslag liggen aan het individueel ambtsbericht heeft ingezien en aldus de door verweerder getrokken conclusie op basis van die stukken heeft beoordeeld, terwijl partijen bovendien toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb hebben gegeven aan de rechtbank om mede op grond van die stukken de zaak af te doen. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 30 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011: BU6382, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat indien de veiligheid van de staat in het geding is, het belang van die veiligheid een gerechtvaardigde grond kan zijn om de wederpartij kennisneming te onthouden van bewijsstukken waarvan de rechter wel kennisneemt, mits aan de uit het arrest van het EHRM in de zaak A. en anderen tegen het Verenigd Koninkrijk, van 19 februari 2009, ECLI:NL:XX:2009:BH9204, voortvloeiende voorwaarden is voldaan.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
