Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBDHA:2014:3301

Rechtbank Den Haag · 07-03-2014 · zaaknummer AWB 10-18603 VK

BestuursrechtGepubliceerd 17-03-2014
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Eiser heeft op 6 oktober 2004 een asielaanvraag ingediend. Bij uitspraak van 15 november 2004 van deze rechtbank is komen vast te staan dat aan eiser artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag kan worden tegengeworpen. Het beroep is destijds gegrond verklaard wegens een motiveringsgebrek ten aanzien van artikel 3 EVRM. Bij besluit van 8 juli 2008 heeft verweerder wederom artikel 1(F) aan eiser tegengeworpen en zich op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer naar Afghanistan een 3 EVRM-risico loopt. Tegen dit besluit heeft eiser geen rechtsmiddelen ingesteld. Eiser heeft op 20 maart 2009 een herhaalde asielaanvraag ingediend. In deze procedure heeft eiser zich onder meer beroepen op de consulbrief van 9 oktober 2008, de UNHCR-Note van 13 mei 2008 en de brief van de UNHCR van 17 november 2009. De rechtbank is van oordeel dat de consulbrief geen nieuw feit is. Ten aanzien van de UNHCR-Note en de brief is de rechtbank van oordeel dat op voorhand niet is uit te sluiten dat deze kunnen afdoen aan het besluit van 8 juli 2008, zodat het bestreden besluit on zoverre inhoudelijk dient te worden beoordeeld. De rechtbank volgt de ABRvS in haar conclusie (zie uitspraak 24 september 2009 en 13 april 2012) dat de UNHCR-Note en de brief geen concreet aanknopingspunt bieden voor twijfel aan het ambtsbericht van februari 2000. De rechtbank is voorts van oordeel dat er geen grond is voor het oordeel dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de individuele verantwoordelijkheid van eiser voor misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Verdrag. De UNHCR-Note doet hier niet aan af. Zoals volgt uit de uitsprak van de ABRvS van 13 april 2012 komen artikel 1(f) van het Verdrag en artikel 12, tweede lid, van de Definitierichtlijn grotendeels met elkaar overeen. Het arrest van het HvJEU van 9 november 2010 (B. en D.) biedt geen grond voor het oordeel dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft verricht. Aan eiser is terecht artikel 1(F) tegengeworpen. Ten aanzien van artikel 3 van het EVRM is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een situatie dat dit artikel zich duurzaam verzet tegen uitzetting. Beroep ongegrond.

Advocaten

In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.

Partijen

  • Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie

    verweerder · overheid

  • [eiser]

    eiser · onbekend

Overheidspartijen

  • Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie

    verweerder

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.