Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBDHA:2014:2734

Rechtbank Den Haag · 21-02-2014 · zaaknummer AWB 13/29587

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 04-03-2014
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Nu al op 20 maart 2007 een terugkeerbesluit tegen eiseres is uitgevaardigd, is met het zogenoemde aanvullende terugkeerbesluit van 19 november 2013 geen ander, verderstrekkend rechtsgevolg ingetreden dan met het eerder genomen terugkeerbesluit al het geval was. De aan eiseres gestelde vertrektermijn is namelijk niet gewijzigd. De omstandigheid dat verweerder in de brief van 19 november 2013 – anders dan in het terugkeerbesluit van 20 maart 2007 – het standpunt heeft ingenomen dat de vreemdeling bij terugkeer naar China niet langer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, is evenmin gericht op rechtsgevolg. Dit standpunt neemt immers niet weg dat verweerder eiseres al in het terugkeerbesluit van 20 maart 2007 heeft verplicht om Nederland onmiddellijk te verlaten. De in de brief van 19 november 2013 vervatte aanzegging aan eiseres om Nederland onmiddellijk te verlaten, is daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, waartegen ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb beroep kon worden ingesteld. In navolging van de uitspraak van de Afdeling van 21 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:208) zal de rechtbank zich dan ook onbevoegd verklaren om van het beroep, voor zover dit is gericht tegen deze aanzegging, kennis te nemen. Hierbij wordt verwezen naar rechtsoverwegingen 5 en 6 in de uitspraak van de Afdeling van 11 oktober 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1565). Nu, zoals uit het hiervoor overwogene voortvloeit, de bestuursrechter niet bevoegd is tot inhoudelijke beoordeling van het in het beroepschrift van 19 november 2013 vervatte verzoek om verweerder te verbieden eiseres naar China uit te zetten, wijst de rechtbank partijen erop dat in de omstandigheden van dit geval uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld. Op grond van het bepaalde in artikel 8:71 van de Awb is de burgerlijke rechter aan dit oordeel gebonden. Bij uitspraak van 21 februari 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ2788) heeft de Afdeling overwogen dat ingevolge de artikelen 27, eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid, en 45, eerste lid, aanhef en onder b, en tweede lid, van de Vw 2000, de bevoegdheid tot uitzetting een rechtsgevolg van rechtswege is van de afwijzing of buitenbehandelingstelling van een aanvraag tot verlening of verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning of de intrekking van zo een vergunning. Indien de vreemdelingenrechter zich heeft uitgelaten over het besluit tot afwijzing, buitenbehandelingstelling of intrekking en de daaruit voortvloeiende bevoegdheid tot feitelijke uitzetting, is de rechtmatigheid van die uitzetting gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank dient hieronder ook het besluit tot ongewenstverklaring te worden verstaan. Nog daargelaten of het beoordelingskader van een (feitelijke) handeling (ter uitvoering van de Vw 2000) van verweerder identiek is aan het beoordelingskader van een terugkeerbesluit, is niet gebleken dat door verweerder daadwerkelijk de voorgenomen feitelijke uitzetting van eiseres naar China is gepland. Bovendien geeft verweerder zelf al aan dat de door de Chinese autoriteiten afgegeven laissez-passer ten behoeve van eiseres inmiddels is verlopen en berust de veronderstelling dat op verzoek een nieuwe laissez-passer zal worden afgegeven slechts op een toekomstige (onzekere) omstandigheid. Op dit moment is de uitzetting van eiseres aldus onvoldoende concreet om als een feitelijke handeling verricht van verweerder ter uitvoering van de Vw 2000, in de zin van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000, te kunnen worden aangemerkt. Eerst op het moment dat door verweerder de feitelijke uitzetting van eiseres naar China daadwerkelijk is gepland, is sprake van een rechtens relevante handelingen waarvan de gevolgen niet in een adequate rechtsgang op andere wijze door de rechter kunnen worden getoetst. Dit brengt mee dat de brief van verweerder van 19 november 2013 niet kan worden aangemerkt als een handeling die op grond van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 kan worden gelijkgesteld met een beschikking. Immers, de enkele wens tot verwijdering van eiseres naar China is niet aan te merken als een handeling voldoende gericht op rechtsgevolg. Eventuele opmerkingen:

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Partijen

  • [eiseres]

    eiseres · onbekend

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.