ECLI:NL:RBDHA:2014:2076
Rechtbank Den Haag · 17-02-2014 · zaaknummer 13/25022
Inhoudsindicatie
bekering tot christendom/herhaalde aanvraag/geloofwaardigheid/vragenlijst Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser van zijn bekering tot, dan wel belangstelling voor, het christendom niet eerder melding hoeven maken en is sprake van een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. Gelet hierop zal de rechtbank overgaan tot toetsing van het in het besluit neergelegde standpunt van verweerder inzake de geloofwaardigheid van de bekering van eiser. Verwijzing naar Afdeling 24 mei 2013 (zaak nr. 201109839/1/V2). Anders dan de Afdeling in die zaak heeft de rechtbank wel de beschikking gehad over de vragenlijst. Uit de besluitvorming dient in de eerste plaats te volgen dat de vragenlijst ook daadwerkelijk is gebruikt. Nu de vragenlijst grofweg onderverdeeld kan worden in vragen over de motieven voor en het proces van bekering, over de persoonlijke betekenis van de bekering of geloofsovertuiging, over algemene, basale kennis van de geloofsleer en geloofspraktijk en over kerkgang, dienen deze onderwerpen - voor zover relevant bij de betrokken vreemdeling - terug te komen in de besluitvorming van verweerder over de geloofwaardigheid van een gestelde bekering of geloofsovertuiging. In de tweede plaats is de rechtbank van oordeel dat het gebruik van de vragenlijst onverlet laat dat de beoordeling en waardering van de antwoorden van de desbetreffende vreemdeling door verweerder dient te geschieden. De vragenlijst noch de daarbij gevoegde instructie biedt concrete aanknopingspunten voor deze beoordeling en waardering. De rechtbank dient daarom niet alleen te beoordelen of de vragenlijst daadwerkelijk is gebruikt, maar bovendien onverkort te beoordelen of verweerder op basis van de overwegingen in het besluit met betrekking tot de verklaringen van de vreemdeling, in redelijkheid tot zijn oordeel over de geloofwaardigheid van de bekering kon komen. De rechtbank overweegt dat weliswaar voldoende aannemelijk is geworden dat verweerder de vragenlijst heeft gehanteerd en de daarin voorgeschreven onderwerpen aan de orde heeft gesteld, maar ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of verweerder zich met de gegeven motivering in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gestelde bekering van eiser ongeloofwaardig is. De rechtbank oordeelt dat verweerder een aantal omstandigheden niet aan de ongeloofwaardigheid van de gestelde bekering ten grondslag heeft kunnen leggen. Nu dit blijkens het besluit wezenlijke elementen zijn op grond waarvan verweerder tot ongeloofwaardigheid van de bekering heeft geconcludeerd, en – zoals is gebleken uit de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 24 mei 2013 – verweerder de verklaringen van een vreemdeling over zijn gestelde geloofsovertuiging steeds in hun onderlinge samenhang dient te bezien, is de rechtbank reeds daarom van oordeel dat het besluit in strijd met artikel 3:46 van de Awb onvoldoende is gemotiveerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
