Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBDHA:2014:13116

Rechtbank Den Haag · 22-10-2014 · zaaknummer AWB 14-14378

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 28-10-2014
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Procesbelang; hogere toelatingsgrond; gezinshereniging tussen ouders en hun meerderjarige kinderen. Art. 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, Vw 2000; Gezinsherenigingsrichtlijn (2003/86/EG); art. 7 Handvest EU; art. 8 EVRM. Samenvatting: Uit vaste rechtspraak van de ABRvS volgt dat ervan moet worden uitgegaan dat het besluit, waarbij de vreemdeling een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 is verleend, niet in rechte onaantastbaar wordt, voor zover daarin ligt besloten dat geen aanspraak bestaat op een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Om die reden heeft eiser geen belang bij het instellen van beroep tegen een besluit, waarbij een verblijfsvergunning asiel wordt verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. In de door eiser beoogde gezinshereniging met zijn moeder en de verwijzing in dat kader naar de Gezinsherenigingsrichtlijn, specifiek hoofdstuk 5 van die richtlijn, ziet de rechtbank geen grond om procesbelang aan te nemen. Voor zover eiser heeft bedoeld te stellen dat de Gezinsherenigingsrichtlijn onjuist is geïmplementeerd in het nationale recht, heeft hij die stelling gemotiveerd noch onderbouwd. Eisers verwijzing naar paragraaf 6.1.1. van de Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement betreffende richtsnoeren voor de toepassing van Richtlijn 2003/86/EG inzake het recht op gezinshereniging kan hem in dit verband niet baten. Bovendien volgt hieruit niet dat de Gezinsherenigingsrichtlijn verdergaande rechten toekent aan vluchtelingen dan in de Vw 2000 worden toegekend aan personen met een subsidiaire beschermingsstatus of dat de lidstaten verplicht zijn tot gezinshereniging tussen ouders en hun meerderjarige kinderen. Voor zover eiser beoogt een beroep te doen op artikel 8 van het EVRM, overweegt de rechtbank dat dit artikel volgens vaste rechtspraak van de ABRvS geen rol kan spelen bij de beoordeling van de aanvraag om gezinshereniging, aangezien in het kader van artikel 29 Vw 2000 geen nadere afweging in het kader van artikel 8 van het EVRM dient plaats te vinden dan de afweging die reeds in artikel 29 van de Vw 2000 ligt besloten. Op deze grond heeft eiser aldus evenmin belang bij het door hem ingestelde beroep, nog daargelaten of bij artikel 8 van het EVRM daadwerkelijk een verschil in rechtsgevolg wordt gemaakt tussen de subsidiaire beschermings- en vluchtlingenstatus. De rechtbank ziet in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 15 juli 2014 geen aanleiding voor het oordeel dat eiser procesbelang heeft, omdat een situatie zoals die zich in de uitspraak van 15 juli 2014 voordoet, in deze zaak niet aan de orde is.

Rechters

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.

Partijen

  • Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie

    verweerder · overheid

  • [eiser]

    eiser · onbekend

Overheidspartijen

  • Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie

    verweerder

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.