ECLI:NL:RBDHA:2014:12641
Rechtbank Den Haag · 14-10-2014 · zaaknummer AWB 13/26751
Inhoudsindicatie
Kinderpardon, contra-indicatie, gezinslid met strafrechtelijke antecedenten, verjaringstermijn, 14 EVRM De aanvraag van eiseres 1 is afgewezen omdat haar vader (eiser) een gevaar vormt voor de openbare orde. De rechtbank stelt vast dat verweerder blijkens de door hem gegeven antwoorden op de vragen van de rechtbank, thans het standpunt inneemt dat eiser ter zake van de door hem gepleegde strafbare feiten met toepassing van artikel 55 van het Duitse StrafGesetzBuch uiteindelijk één (totale) vrijheidsstraf van 2 jaren en 8 maanden is opgelegd. Omdat sprake is van een tweetal veroordelingen, voor twee geheel verschillende misdrijven die gepleegd zijn op verschillende momenten, is vreemdelingrechtelijk gezien sprake van het bij herhaling plegen van strafbare feiten. Nu verweerder met het in de brief van 20 juni 2014 neergelegde nadere standpunt kennelijk terugkomt op de motivering die is neergelegd in het bestreden besluit, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit op een ondeugdelijke motivering berust zodat dat het is genomen in strijd met artikel 7:12 Awb. Het beroep van eiseressen 1 tot en met 5 is reeds hierom gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank bepaalt vervolgens dat aanleiding bestaat te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand worden gelaten. Daartoe wordt het volgende overwogen. Verweerder heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat de in de Regeling opgenomen verjaringstermijn van tien jaren in dit geval niet van toepassing is, nu sprake is van het bij herhaling plegen van misdrijven. De rechtbank is voorts van oordeel dat de in de Regeling neergelegde voorwaarde dat geen sprake mag zijn van (een gezinslid met) strafrechtelijke antecedenten, niet in strijd is met artikel 14 EVRM. De rechtbank overweegt in dit verband dat het hebben van strafrechtelijke antecedenten geen onveranderlijk of inherent kenmerk betreft, nu er een keuze aan ten grondslag ligt. Voorts heeft verweerder gewezen op het gevaar voor de openbare orde en daarbij van belang kunnen achten dat, indien de criminele antecedenten van een gezinslid niet zouden worden tegengeworpen, dat gezinslid na verstrekking van de verblijfsvergunning aan de overige familieleden een geslaagd beroep zou kunnen doen op artikel 8 EVRM om rechtmatig verblijf te krijgen, hetgeen onwenselijk is. Hiermee heeft verweerder een zwaarwegende reden van migratiebeleid geduid die rechtvaardigt dat het gedrag van de ouders van een vreemdeling wordt toegerekend aan de vreemdeling. De rechtbank is van oordeel dat de hoorplicht is geschonden.
Advocaten
- L.J.P. Mentink
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[eiseres]
eiseres · onbekend
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
