Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBDHA:2014:11608

Rechtbank Den Haag · 19-09-2014 · zaaknummer 13/29716

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 19-09-2014
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Kinderpardonregeling. Stellen leeftijdsgrens van 21 jaar is niet kennelijk onredelijk. Geen bijzondere omstandigheden waarin verweerder aanleiding had moeten zien artikel 4:84 van de Awb toe te passen. Ten aanzien van toetsing aan artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000 heeft verweerder ervoor mogen kiezen daarvoor een daartoe strekkende aanvraag te eisen. Er is geen grond voor het oordeel dat verweerder tegen eiseres geen inreisverbod had mogen uitvaardigen. Geen schending hoorplicht. Verweerder heeft in zijn verweerschrift en ter zitting uiteengezet dat in de overgangsregeling de leeftijdsgrens van 21 jaar is gehanteerd om de groep vreemdelingen die meerderjarig is geworden in de periode voorafgaand aan de totstandkoming van de regeling, tegemoet te komen. De tegemoetkoming gaat echter niet verder dan die grens van 21 jaar. Verweerder draagt voor meerderjarige vreemdelingen een andere verantwoordelijkheid dan voor minderjarige vreemdelingen. Hij heeft daarbij gewezen op de handelingsbekwaamheid die ingevolge artikel 3:32, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 1:233 van het Burgerlijk Wetboek, met meerderjarigheid gepaard gaat. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met het hiervoor weergegeven standpunt een objectieve en redelijke rechtvaardiging gegeven voor het in de Kinderpardonregeling gemaakte onderscheid naar leeftijd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder bij het vaststellen van dergelijk begunstigend beleid een grote mate van discretie toekomt ten aanzien van de bepaling welke (groepen van) personen daaronder vallen en welke toelatingseisen op hen van toepassing zijn. Dat verweerder in de overgangsregeling ook voor een andere leeftijdsgrens had kunnen kiezen, betekent niet dat verweerder in redelijkheid niet tot de thans gemaakte keuze heeft kunnen komen. De beroepsgrond slaagt niet. In aanmerking genomen dat het beleid de leeftijdsgrens uitdrukkelijk bepaalt op 21 jaar, vormt het feit dat eiseres niet voldoet aan het leeftijdsvereiste geen bijzondere omstandigheid die tot afwijking van dat beleid noopt. Over de omstandigheid dat eiseres deze leeftijdsgrens nog niet erg lang geleden was gepasseerd, moet worden geoordeeld dat deze geacht wordt in de Kinderpardonregeling te zijn verdisconteerd en waarmee bij het opstellen ervan dus rekening is gehouden, zodat zij evenmin een bijzondere omstandigheid vormt die noopt tot afwijking van het beleid In haar uitspraak van 10 maart 2014 (ECLI:RBOBR:2014:1082) heeft deze rechtbank en zittingsplaats overwogen dat verweerder ervoor heeft mogen kiezen pas na een daartoe strekkende aanvraag te bezien of aanleiding bestaat om artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000 toe te passen. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding hierover thans anders te oordelen. Verweerder heeft in zowel het primaire als het bestreden besluit gemotiveerd uiteengezet dat tussen eiseres en haar zuster geen gezinsleven in de zin van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) wordt aangenomen, nu tussen hen geen sprake is van een meer dan de normale emotionele banden overstijgende afhankelijkheid. Verder heeft verweerder uiteengezet waarom volgens hem geen sprake is van een beschermenswaardig privéleven in de zin van voornoemd artikel. Eiseres heeft in beroep volstaan met verwijzing naar haar zienswijze van 6 augustus 2013 en heeft aldus de motivering van verweerder niet gemotiveerd weersproken. Ook in hetgeen eiseres voorts naar voren heeft gebracht, waaronder de omstandigheid dat zij zich in haar land van herkomst niet zelfstandig kan handhaven, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder had moeten afzien van het uitvaardigen van het inreisverbod.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.

Partijen

  • [eiseres]

    eiseres · onbekend

  • de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie

    verweerder · overheid

Overheidspartijen

  • de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie

    verweerder

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.