Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBDHA:2014:10481

Rechtbank Den Haag · 22-08-2014 · zaaknummer SHE 14/1066

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 22-08-2014
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Kinderpardonregeling. Voorwaarde onttrekken aan toezicht niet kennelijk onredelijk. De rechtbank stelt voorop dat de Kinderpardonregeling begunstigend beleid is dat slechts op een beperkte categorie vreemdelingen van toepassing is verklaard. Bij het vaststellen van dit beleid komt verweerder een grote mate van discretie toe ten aanzien van het bepalen welke (groepen) van personen daaronder vallen en welke toelatingseisen op hen van toepassing zijn. Dit maakt dat niet licht geoordeeld kan worden dat het onderscheid dat daarmee ontstaat tussen vreemdelingen die wel en vreemdelingen die niet onder het beleid vallen, onrechtmatig moet worden geacht (zie ook de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 10 maart 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:1082 en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 7 juli 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:8527). In hetgeen eisers hebben aangevoerd, bestaat geen grond voor het oordeel dat de in de Kinderpardonregeling gestelde voorwaarde dat de vreemdeling zich gedurende de periode van verblijf in Nederland niet langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden heeft onttrokken aan het toezicht van de rijksoverheid, kennelijk onredelijk is (zie ook de hiervoor genoemde uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen). In aanmerking genomen dat verweerder in de Kinderpardonregeling ervoor heeft gekozen de eenheid van het kerngezin als uitgangspunt te nemen, welk uitgangspunt ook vanuit de belangen van het kind bezien niet onbegrijpelijk is, bestaat geen grond voor het oordeel dat de toerekening van de gedragingen van ouders aan het kind kennelijk onredelijk is. Het beroep van eisers op artikel 2, eerste lid, van het IVRK, faalt omdat het in deze bepaling neergelegde discriminatieverbod niet eraan in de weg staat dat binnen één juridische categorie – de groep van kinderen die langdurig in Nederland verblijven doch niet zijn toegelaten – op zakelijke en redelijke gronden onderscheid wordt gemaakt tussen kinderen van ouders die zich gedurende de periode van verblijf in Nederland niet langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden hebben onttrokken aan het toezicht van de rijksoverheid (IND, COA, DT&V en de Vreemdelingenpolitie) en kinderen van ouders, zoals eiser I en eiser II, die daaraan niet voldoen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 15 februari 2007, ECLI:NL:RVS:2007:AZ9524). Om dezelfde reden faalt reeds het beroep van eisers op artikel 2, tweede lid, van het IVRK, de artikelen 8 en 14 van het EVRM en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.

Partijen

  • [eiseres]

    eiseres · onbekend

  • de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie

    verweerder · overheid

Overheidspartijen

  • de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie

    verweerder

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.