ECLI:NL:RBDHA:2014:10476
Rechtbank Den Haag · 22-08-2014 · zaaknummer SHE 13/30982
Inhoudsindicatie
Kinderpardonregeling. Voorwaarde onttrekken aan toezicht niet kennelijk onredelijk. Uit beeld zijn en onttrekken aan. Contra-indicatie meerdere identiteiten terecht tegengeworpen. De rechtbank stelt voorop dat de Kinderpardonregeling begunstigend beleid is dat slechts op een beperkte categorie vreemdelingen van toepassing is verklaard. Bij het vaststellen van dit beleid komt verweerder een grote mate van discretie toe ten aanzien van het bepalen welke (groepen) van personen daaronder vallen en welke toelatingseisen op hen van toepassing zijn. Dit maakt dat niet licht geoordeeld kan worden dat het onderscheid dat daarmee ontstaat tussen vreemdelingen die wel en vreemdelingen die niet onder het beleid vallen, onrechtmatig moet worden geacht (zie ook de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 10 maart 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:1082 en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 7 juli 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:8527). In hetgeen eisers hebben aangevoerd, bestaat geen grond voor het oordeel dat de in de Kinderpardonregeling gestelde voorwaarde dat de vreemdeling zich gedurende de periode van verblijf in Nederland niet langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden heeft onttrokken aan het toezicht van de rijksoverheid, kennelijk onredelijk is (zie ook de hiervoor genoemde uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen). Het betoog van eisers dat voor het onderscheid dat de regeling hiermee maakt tussen vreemdelingen die contact hebben gehad met de in de regeling genoemde overheidsinstanties en vreemdelingen die contact hebben gehad met andere instanties, geen objectieve en redelijke rechtvaardiging aanwezig is, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de rechtvaardiging van het gemaakte onderscheid erin is gelegen dat de in de regeling genoemde instanties zijn belast met het toezicht op vreemdelingen. Deze instanties zijn bij uitstek opgericht en ingericht om toezicht op vreemdelingen te houden, zodat ook kan worden vastgesteld of een vreemdeling al dan niet steeds in Nederland heeft verbleven. In aanmerking genomen dat verweerder in de Kinderpardonregeling ervoor heeft gekozen de eenheid van het kerngezin als uitgangspunt te nemen, welk uitgangspunt ook vanuit de belangen van het kind bezien niet onbegrijpelijk is, bestaat geen grond voor het oordeel dat de toerekening van de gedragingen van ouders aan het kind kennelijk onredelijk is. Het beroep van eisers op artikel 2, eerste lid, van het IVRK, faalt omdat het in deze bepaling neergelegde discriminatieverbod niet eraan in de weg staat dat binnen één juridische categorie – de groep van kinderen die langdurig in Nederland verblijven doch niet zijn toegelaten – op zakelijke en redelijke gronden onderscheid wordt gemaakt tussen kinderen van ouders die zich gedurende de periode van verblijf in Nederland niet langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden hebben onttrokken aan het toezicht van de rijksoverheid (IND, COA, DT&V en de Vreemdelingenpolitie) en kinderen van ouders, zoals eiser I en eiser II, die daaraan niet voldoen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 15 februari 2007, ECLI:NL:RVS:2007:AZ9524). Om dezelfde reden faalt reeds het beroep van eisers op artikel 2, tweede lid, van het IVRK, de artikelen 8 en 14 van het EVRM en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
