ECLI:NL:RBDHA:2014:10155
Rechtbank Den Haag · 15-08-2014 · zaaknummer AWB 14/14499
Inhoudsindicatie
IS, Islamitische Staat, ISIS, Islamitische Staat van Irak en Syrië, Nineveh, M.M. tegen Ierland, minister van Buitenlandse Zaken, Hof van Justitie van de Europese Unie, tweede fase, Yezidi, Irak, veiligheidssituatie, recente ontwikkelingen, opmars, objectieve en openbare bronnen, internationale bescherming, artikel 83 Vw 2000, ambtsbericht, aangevoerde elementen ter ondersteuning van het asielverzoek duiden, materiële voorwaarden van de vluchtelingenstatus en/of de subsidiaire bescherming Samenvatting: Gezien de zeer grote hoeveelheid informatie die eiser heeft ingebracht ter onderbouwing van de elementen van zijn asielverzoek betreffende de recente ontwikkelingen aangaande de veiligheidssituatie in Irak in het algemeen, zijn woonomgeving (de provincie Nineveh, woonplaats Sinuni, district Sinjar) in het bijzonder, alsook de specifieke situatie van Yezidi als gevolg van de opmars van IS, ziet de rechtbank niet in waarom verweerder niet reeds zonder een (algemeen) ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken in staat is een standpunt in te nemen omtrent de vraag of de recente ontwikkelingen in Irak aanleiding geven om de besluitvorming in onderhavige zaak te herzien. Daarbij acht de rechtbank van belang dat is gebleken dat voor verweerder over de recente opmars van IS in (specifieke delen van) Irak sinds juni 2014 en de gevolgen daarvan voor de veiligheidssituatie in (bepaalde gebieden) in Irak en specifieke bevolkingsgroepen in ruim voldoende mate informatie uit objectieve bronnen beschikbaar was. Immers, veel informatie waarop VWN zich bij de informatievergaring heeft gebaseerd is afkomstig uit objectieve en openbare bronnen welke eveneens door de minister van Buitenlandse Zaken worden geraadpleegd bij het opstellen van een (algemeen) ambtsbericht en niet slechts exclusief toegankelijk zijn voor de opsteller van een dergelijk deskundigenbericht. Zo blijkt bijvoorbeeld uit het ambtsbericht inzake Irak van 20 december 2013 dat de minister van Buitenlandse Zaken zich bij het opstellen onder meer heeft gebaseerd op informatie van AI, HRW, ISW, UNAMI, IBC, Al-Arabiya, AP, CNN, Iraq Business News, IRIN, New York Times, Rudaw, Shafaq News, Daily Star, The Guardian, Kurdish Globe, The Telegraph, Washington Post en UN News Centre. Derhalve had verweerder zich bij de kwalificatie van deze door eiser aangevoerde feiten omstandigheden (elementen) ter onderbouwing van het verzoek tot internationale bescherming ook hierop kunnen baseren, althans zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, ziet de rechtbank niet in waarom verweerder dat niet had gekund. Daarnaast is het van belang dat het juist tot de taak en expertise van verweerder behoort om deze aangevoerde elementen ter ondersteuning van het asielverzoek van eiser die besloten ligt in voormelde informatie te duiden en dat indien er reeds informatie uit objectieve bronnen voorhanden is, verweerder bij de uitvoering van deze taak niet exclusief afhankelijk is van de minister van Buitenlandse Zaken. Bovendien is verweerder in dit geval hiertoe ook speciaal door de rechtbank bij brief van 29 juli 2014 in de gelegenheid gesteld. Daarbij is gesteld noch gebleken dat de hiervoor gegeven periode van vier weken ontoereikend zou zijn. De enkele wens van verweerder om hiermee te wachten totdat de minister van Buitenlandse Zaken naar verwachting begin september 2014 een nieuw ambtsbericht over de situatie in Irak zal uitbrengen, maakt niet dat het op dit moment niet mogelijk is om de reeds beschikbare en aangevoerde informatie omtrent de recente ontwikkelingen in (de provincie Nineveh, gelegen in) Irak, alsook voor de specifieke bevolkingsgroep van Yezidi te duiden. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer naar Irak niet te vrezen heeft voor een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), alsook dat geen sprake is van een zogeheten uitzonderlijke situatie in een bepaald gebied waardoor personen louter door hun aanwezigheid een reëel risico op een dergelijke behandeling lopen. In het licht van de door eiser aangevoerde informatie is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit, zonder nadere motivering voor het standpunt dat ten aanzien van eiser – die behoort tot de bevolkingsgroep van de Yeziden, en die afkomstig is uit Sinuni in het district Sinjar in de provincie Nineveh in Irak – niet is voldaan aan de materiële voorwaarden van de vluchtelingenstatus en/of de subsidiaire bescherming, geen stand kan houden.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie te Den Haag
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie te Den Haag
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
