ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ6770
Rechtbank Den Haag · 21-03-2013 · zaaknummer AWB 12/17846
Inhoudsindicatie
In het bestreden besluit heeft verweerder onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2011 (LJN: BR6949) het standpunt gehandhaafd dat eiser niet voor restitutie van leges in aanmerking komt. Verweerder heeft het verzoek om restitutie met toepassing van art. 4:6 Awb afgewezen bij gebreke van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Hierbij is verweerder niet ingegaan op hetgeen eiser in bezwaar heeft aangevoerd ten aanzien van schending van art. 13 van het Besluit 1/80 en het EU-recht, alsmede schending van art. 13 van het EVRM en art. 47 van het Handvest. Hieruit volgt dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal om die reden worden vernietigd. In het belang van finale geschillenbeslechting heeft de Rb. onderzocht of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen worden gelaten. Naar het oordeel van de Rb. is het toetsingskader zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2011 niet aan te merken als een nieuwe beperking in de zin van art. 13 van het Besluit 1/80. Dat eerdere jurisprudentie van de Afdeling gunstiger was voor Turkse burgers betekent niet dat een eventuele procedurele verslechtering met betrekking tot de mogelijkheid om teruggave van leges te verkrijgen een beperking van het vrije verkeer van werknemers oplevert. Indien eiser van mening was dat hij in eerdere procedures tot verkrijging van een verblijfsvergunning ten onrechte de gevraagde bedragen aan leges heeft betaald, had eiser de mogelijkheid om daartegen rechtsmiddelen aan te wenden. Die mogelijkheid bestond zowel voor als na de uitspraak van het HvJEU in de zaak Sahin op 17 september 2009 en zowel voor als na de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2011, zij het dat na die laatste uitspraak, voor een inhoudelijke toetsing door de rechter, direct in het kader van de vergunningverlening tegen de leges moet worden opgekomen. Eiser heeft destijds de leges betaald, maar noch in de desbetreffende procedures noch buiten het kader van een tegen de beslissing op de aanvraag ingediend rechtsmiddel om restitutie van die leges verzocht. Hij heeft zich ook niet onmiddellijk tot verweerder gewend nadat hij kennis had genomen van de jurisprudentie van het HvJEU over leges uit het arrest in de zaak Sahin en het arrest van 29 april 2010 in de zaak Commissie tegen Nederland (LJN: BM3843). Niet is gebleken dat eiser bij de legesbetalingen ten behoeve van de eerder gevoerde procedures heeft geprotesteerd, onder voorbehoud heeft betaald en/of anderszins kenbaar heeft gemaakt de leges te hoog te vinden. Eiser heeft ook niet aangevoerd dat de legesbetalingen hem hebben belemmerd bij het voeren van de eerdere procedures dan wel het verkrijgen van de verblijfsvergunningen. Eiser heeft aangevoerd dat het tot de uitspraak van het HvJEU in de zaak Sahin volkomen zinloos was om restitutie van leges te verzoeken, omdat ieder verzoek in afwachting van die uitspraak werd afgewezen. Eiser heeft verwezen naar de uitspraak van het HvJEU van 24 maart 2009 in de zaak Danske Slagterier (LJN: BH8636). Het onderhavige besluit ziet niet op een vordering tot schadevergoeding, zodat de in de uitspraak van het HvJEU geformuleerde schending van het doeltreffendheidsbeginsel niet direct toepasbaar is op onderhavige casus. Daarnaast is de Rb. niet gebleken dat het gebruik maken van de ter beschikking staande rechtsmiddelen voor eiser zou hebben geleid tot buitensporige moeilijkheden of redelijkerwijs van hem niet kon worden gevergd. Eiser heeft betoogd dat bezwaar zinloos/kansloos was en (hoger) beroep ongewis, hetgeen (voor eisers situatie) pas zonder meer anders werd met het arrest van het HvJEU van 29 maart 2012 in de zaken Kahveci en Inan (gevoegde zaken C-7/10 en C-9/10, (LJN: BW3608). Dit betoog miskent dat uit de ontwikkeling in de jurisprudentie juist blijkt dat geen sprake was van kansloze rechtsmiddelen, of van het instellen van beroep “tegen beter weten in”. Dat (hoger) beroep ongewis was, is een - overigens vaak voorkomende - omstandigheid die niet tot de conclusie leidt dat van eiser niet kon worden gevergd dat (hoger) beroep in te stellen. Eiser heeft voorts gesteld dat sprake is van schending van art. 13 van het EVRM in relatie tot art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM alsmede schending van artikel 47 en artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de EU. Naar het oordeel van de Rb. kan eiser geen geslaagd beroep doen op deze bepalingen.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
