ECLI:NL:RBDHA:2013:BY9817
Rechtbank Den Haag · 25-01-2013 · zaaknummer AWB 12/12555
Inhoudsindicatie
ongewenstverklaring, artikel 1(F), aanhef en onder b Vluchtelingenverdrag; nova; Turkije; overschrijding redelijke termijn Verweerder heeft het besluit tot ongewenstverklaring gebaseerd op de vaststelling dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is verklaard. Bij onherroepelijk geworden uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht van 24 februari 2005 is geoordeeld dat verweerder terecht artikel 1(F), aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag heeft tegengeworpen aan eiser op grond van het feit dat eiser drie jaar lang deel heeft uitgemaakt van de militaire vleugel van Dev Sol, welke organisatie verantwoordelijk is geweest voor een groot aantal terreuraanslagen in Turkije. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft mogen stellen dat bij eiser sprake is van zowel ‘personal’ als ‘knowing’ participation. De toepasselijkheid van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag stond ten tijde van het nemen van het besluit tot ongewenstverklaring van eiser derhalve in rechte vast. De rechtbank is van oordeel dat eisers verklaringen niet kunnen afdoen aan het eerdere besluit, nu deze verklaringen op geen enkele wijze zijn onderbouwd en daarnaast niet valt in te zien waarom eiser niet eerder heeft aangegeven dat hij zijn rol tijdens de asielprocedure heeft overdreven. Voor zover eiser met de verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 9 november 2010 beoogt een rechtens relevante wijziging van het recht aan te voeren, overweegt de rechtbank dat een beroep op (een ontwikkeling in de) jurisprudentie op zichzelf niet kan worden aangemerkt als een relevante wijziging van het recht. Voor zover eiser hiermee een beroep heeft willen doen op de Definitierichtlijn oordeelt de rechtbank dat hierin evenmin een relevante wijziging van het recht is gelegen. Immers, artikel 12, tweede lid, van de richtlijn volgt exact de bewoording van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Verweerder is in het bestreden besluit terecht van de toepasselijkheid van genoemde verdragsbepaling uitgegaan. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de door eiser aangevoerde belangen niet leiden tot het afzien van de oplegging van de ongewenstverklaring, nu de belangen van eiser niet opwegen tegen de ernst van de misdrijven die eiser worden tegengeworpen. Verweerder heeft in het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd dat handhaving van de ongewenstverklaring geen schending van artikel 3 EVRM oplevert. Ter zitting heeft eiser aangegeven dat de procedure te lang heeft geduurd en dat hij als gevolg van de langdurige onzekerheid waarin hij heeft verkeerd over de afloop van de procedure schade heeft geleden. Met betrekking tot dit verzoek om schadevergoeding is de rechtbank van oordeel de redelijke termijn met drie jaar en ruim zeven maanden is overschreden en stelt het totaal van de schadevergoeding vast op € 4.000,-. Nu de overschrijding van de redelijke termijn volledig aan verweerder is te wijten, dient dit bedrag in zijn geheel door verweerder aan eiser te worden voldaan. Beroep ongegrond.
Advocaten
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
