ECLI:NL:RBDHA:2013:19093
Rechtbank Den Haag · 13-12-2013 · zaaknummer AWB 12/32501
Inhoudsindicatie
Irak / beoordeling zwaarwegendheid / 4, vierde lid Definitierichtlijn / 15c Definitierichtlijn / instandlaten rechtsgevolgen Verweerder heeft de problemen die eiser heeft ondervonden aan de zijde van Shebab Denboes geloofwaardig geacht, maar de daaraan door eiser ontleende vermoedens dat hij door hen zal worden ontvoerd en gedood, heeft verweerder niet aannemelijk geacht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op dit standpunt kunnen stellen omdat de bedreigingen zijn gestopt na het beëindigen van zijn werkzaamheden in de winkel en eiser tot aan zijn vertrek probleemloos thuis heeft kunnen blijven. Eisers standpunt dat hij bij terugkeer naar Irak het risico loopt te worden ontvoerd en vermoord zoals zijn broer die om dezelfde redenen asiel had gevraagd, is overkomen kort na zijn terugkeer in Irak, volgt de rechtbank niet. De daartoe overgelegde overlijdensaktes zijn door bureau documenten vals bevonden en de overgelegde foto’s van de grafsteen van zijn broer weerleggen de conclusies van bureau documenten niet. De aan eiser gerichte dreigbrief en de aangifte daarvan van zijn zus maken bovenstaande niet anders, nu deze stukken in het licht van de vals bevonden aktes niet als bewijs kunnen dienen. Verweerder is in het bestreden besluit niet uitdrukkelijk ingegaan op het door eiser reeds in een eerder stadium gedane beroep op artikel 4, vierde lid, Definitierichtlijn dat in geval een vreemdeling in het verleden is blootgesteld aan vervolging of ernstige schade dit een duidelijke aanwijzing is dat de vrees van de vreemdeling voor vervolging gegrond is en het risico op het lijden van ernstige schade reëel is, tenzij er gronden zijn om aan te nemen dat die vervolging of schade zich niet zal voordoen. Nu de op eiser persoonlijk gerichte bedreiging alsnog geloofwaardig is geacht, slaagt deze beroepsgrond. Het besluit is in strijd met artikel 3:2 en 3:46 Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Doordat verweerder ter zitting heeft overwogen dat de op eiser persoonlijk gerichte bedreiging wel geloofwaardig wordt geacht, maar het relaas nog steeds onvoldoende zwaarwegend omdat eiser vervolgens met rust is gelaten, heeft verweerder zich feitelijk wel uitgelaten over de vraag of er goede redenen zijn om aan te nemen dat de vervolging zich opnieuw voor zal doen. De rechtbank kan dit standpunt volgen. Ten aanzien van eisers beroep op artikel 15, aanhef en onder c, Vw stelt de rechtbank vast dat het EHRM in S.A. tegen Zweden van 27 juni 2013, (zaaknummer 66523/10) heeft aangenomen dat er geen zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat burgers die naar Irak worden gestuurd louter vanwege hun aanwezigheid aldaar een reëel risico lopen op schending van artikel 3 EVRM. Vaststaat dat een groot deel van de door eiser ingebrachte stukken niet bij deze uitspraak waren betrokken. Hoewel deze stukken geen rooskleurig situatie naar voren komt, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat uit deze stukken niet kan worden afgeleid dat de situatie in Irak dusdanig is verslechterd dat daar thans sprake is van een uitzonderlijke situatie als bovenvermeld. Het merendeel van de door eiser ingebrachte recente stukken betreffen kranten- of internetartikelen over aantallen burgerslachtoffers. Verweerder heeft evenwel terecht gewezen op het stuk Iraq Body Count 2003-2013. Uit dit stuk blijkt van een recente toename in het aantal slachtoffers, maar dat staat niet in verhouding tot de veel hogere aantallen in 2006 en 2007. Ook het rapport van Unami van juni 2013 maakt niet dat sprake is van een uitzonderlijke situatie, nu daarin wordt gesproken van het hoogste aantal sinds 2009, terwijl uit het stuk Iraq Body Count blijkt dat ook de cijfers uit 2009 niet in verhouding staan tot de hogere aantallen in 2006 en 2007. Ook de antwoorden op de Kamervragen leiden niet tot een andere conclusie. Hoewel de minister aangeeft dat de situatie sinds april 2013 lijkt te verslechteren, stelt de minister tevens dat uit de beschikbare informatie niet valt af te leiden dat terugkeer een artikel 3 EVRM risico oplevert.
Rechters
Advocaten
- M.J.A. Leijen
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
