ECLI:NL:RBDHA:2013:19058
Rechtbank Den Haag · 06-12-2013 · zaaknummer AWB 13-1846 en 13-1848
Inhoudsindicatie
Referent heeft anderhalf jaar in [verbblijfplaats]verbleven en daar betaald werk verricht. Nu eiseres zich bij referent heeft gevoegd, heeft zij een zogenaamd afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 7, tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn. Dat eiseres korter dan drie maanden in [verblijfplaats] heeft verbleven, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. De termijn van drie maanden wordt in het tweede lid van artikel 7 van de Verblijfsrichtlijn immers helemaal niet genoemd. Wel dient volgens de jurisprudentie van de Afdeling (zie ECLI:NL:RVS:BN6685) sprake te zijn van reëel en daadwerkelijk verblijf van de vreemdeling in het gastland. Gesteld noch gebleken is dat eiseres zich niet daadwerkelijk bij referent in [verblijfplaats] heeft gevestigd. Een minimumtermijn van drie maanden verblijf is uit de Verblijfsrichtlijn niet af te leiden. Verweerder belemmert referent in zijn essentiële recht op vrij verkeer.
Rechters
Advocaten
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[eiseres]
eiseres · onbekend
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
