ECLI:NL:RBDHA:2013:18615
Rechtbank Den Haag · 24-12-2013 · zaaknummer AWB 13/10304
Inhoudsindicatie
herhaalde asielaanvraag, Iran, geloofwaardigheid bekering, vaste gedragslijn, motivering Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw. De rechtbank is allereerst van oordeel dat de aanvraag van eiser als een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 Awb moet worden aangemerkt. De rechtbank is van oordeel dat, als eiser zijn bekering aannemelijk heeft gemaakt, sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende omstandigheden die zodanig zwaarwegend zijn dat, om schending van artikel 3 van het EVRM te voorkomen, noodzaak bestaat om het uit artikel 4:6 Awb en het ne bis in idem-beginsel volgende toetsingskader terzijde te schuiven. De rechtbank ziet zich dan ook gesteld voor de vraag of eiser de geloofwaardigheid van zijn bekering voldoende aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat, zoals verweerder tegenwerpt, sprake is van een kort proces van bekering. De rechtbank acht verweerders standpunt, dat eiser onvoldoende inzicht heeft gegeven in het innerlijke proces dat aan de gestelde bekering vooraf zou zijn gegaan, onvoldoende gemotiveerd. Uit hetgeen eiser zelf heeft verklaard blijkt immers dat hij vanuit een wanhopige situatie onderdak, hulp en troost zou hebben gevonden bij de kerk. Weliswaar is eiser kort en bondig in zijn formuleringen, maar de rechtbank kan de tegenwerping van verweerder, dat van eiser verwacht mag worden enig inzicht te kunnen verschaffen in het innerlijke proces dat aan de gestelde bekering vooraf zou zijn gegaan en dat daarvan niet is gebleken, gelet op eisers verklaringen, niet volgen. Verweerder heeft ook onvoldoende gemotiveerd waarom eisers verklaringen over de betekenis van zijn bekering geen blijk geven van een diepgevoeld innerlijk proces. In het gehoor heeft verweerder eiser hierover geen aanvullende vragen gesteld, hetgeen in de rede had gelegen als verweerder eisers verklaringen hieromtrent niet duidelijk vond. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank is van oordeel dat, hoewel eiser de betekenis van Pinksteren juist heeft kunnen duiden, verweerder in redelijkheid aan eiser heeft kunnen tegenwerpen dat hij niet bij benadering heeft kunnen aangeven wanneer dit feest wordt gevierd. Nu echter uit de vaste gedragslijn van verweerder, zoals weergegeven in de uitspraak van de Afdeling van 24 mei 2013, volgt dat niet reeds één tekortschietend antwoord op voormelde vragen over de gestelde bekering, die het niveau van de relevante bijzonderheden van het asielrelaas betreffen, ertoe leidt dat van het relaas geen positieve overtuigingskracht meer uitgaat, kan het oordeel dat de gestelde bekering niet aannemelijk is gemaakt niet slechts op eisers verklaringen omtrent Pinksteren worden gebaseerd. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder in overeenstemming met de vaste gedragslijn van verweerder zoals die blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 24 mei 2013 de verklaringen van eiser in onderlinge samenhang heeft bezien, voor wat betreft de elementen en het gewicht dat daaraan wordt toegekend, maar ook in het licht van de overige omstandigheden van het geval. Niet blijkt onder meer hoe de omstandigheid van het korte proces van bekering zich verhoudt tot de andere relevante beoordelingselementen die in de uitspraak van de Afdeling van 24 mei 2013 zijn aangehaald, zoals de persoonlijke betekenis van de bekering of geloofsovertuiging, de algemene, basale kennis van de geloofsleer en de geloofspraktijk en verklaringen over de kerkgang en evangeliseringsactiviteiten. Verder heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser over voldoende Bijbelkennis beschikt, maar heeft verweerder niet inzichtelijk gemaakt welk gewicht verweerder hieraan toekent. Evenmin blijkt in hoeverre eisers geloofsbeleving sinds zijn doop op 13 maart 2011 een rol speelt bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een geloofwaardige bekering. Gelet op een en ander ontbeert het bestreden besluit een deugdelijke motivering. Heropent het onderzoek om verweerder de gelegenheid te geven het gebrek te herstellen.
Advocaten
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
