ECLI:NL:RBDHA:2013:16633
Rechtbank Den Haag · 03-12-2013 · zaaknummer AWB 13/14318
Inhoudsindicatie
Eiser heeft de Griekse nationaliteit. Hij is van 31 juli 2006 tot 15 februari 2007 werkzaam geweest via een uitzendorganisatie. Op 1 december 2006 heeft hij zich in de GBA ingeschreven. In het voorjaar van 2007 heeft eiser bij een val van de trap in zijn woning letsel opgelopen, waaronder een wervelfractuur en schedelletsel. Eiser heeft in verband hiermee van februari 2007 tot en met maart 2008 een uitkering ontvangen op grond van de Ziektewet. In de periode van 25 mei 2009 tot en met 6 december 2011 heeft eiser niet ingeschreven gestaan in de GBA. Op 6 december 2011 is eiser weer ingeschreven in de GBA, in de gemeente Deventer. Sinds maart 2012 ontvangt eiser een (volledige) uitkering op grond van de WWB. Onder deze omstandigheden heeft verweerder onderzoek kunnen doen naar het verblijf van eiser en van hem kunnen verlangen dat hij onderbouwt dat hij in de periode van 25 mei 2009 tot en met 6 december 2011 wel in Nederland heeft verbleven. Eiser is daarin niet geslaagd. Evenmin is gebleken dat hij blijvend arbeidsongeschikt is, zodat reeds daarom niet kan worden aangenomen dat hij op enig moment nadat hij twee jaar in Nederland had verbleven, rechten kon ontlenen aan artikel 8.17, derde lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000. Hij heeft dan ook geen duurzaam verblijfsrecht. Met betrekking tot een niet duurzaam verblijfsrecht overweegt de rechtbank dat uit artikel 7, derde lid, van Richtlijn 2004/38 en artikel 8.12, tweede lid, van het Vb 2000 volgt dat het rechtmatig verblijf van een werknemer niet eindigt in geval van tijdelijke arbeidsongeschiktheid. Dat laat echter onverlet dat door het vertrek van eiser uit Nederland tussen mei 2009 en december 2011, diens verblijf is beëindigd en daarmee ook het rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8.12, tweede lid, van het Vb 2000. Voor het oordeel dat eiser bij terugkeer na meer dan twee jaar op dezelfde grondslag weer rechtmatig verblijf dient te krijgen bestaat geen grond. Eiser is dan ook een economisch niet-actieve en heeft dus slechts rechtmatig verblijf indien hij voor zichzelf en voor zijn familieleden over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van het socialebijstandsstelsel van het gastland, en over een verzekering beschikt die de ziektekosten in het gastland volledig dekt. In aanmerking genomen dat eiser een WWB uitkering ontvangt voldoet hij niet aan dat vereiste, zodat hij niet op grond van die bepalingen rechtmatig verblijf heeft. Verder stelt de rechtbank vast dat verweerder niet slechts op grond van het beroep op de openbare middelen is overgegaan tot beëindiging van het verblijfsrecht, maar daarbij de totale duur van het verblijf in Nederland, de totale duur van de arbeid van eiser in Nederland, de onderbreking van het verblijf en de duur van de bijstandsuitkering heeft betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarmee voldoende gemotiveerd waarom in dit geval het beroep op de sociale middelen maakt dat het verblijfsrecht kan worden beëindigd.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
