ECLI:NL:RBDHA:2013:16406
Rechtbank Den Haag · 26-11-2013 · zaaknummer AWB 13/17332, 13/17331
Inhoudsindicatie
Intrekking verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en inreisverbod voor de duur van tien jaar, bij een verblijfsduur van meer dan tien jaar, artikel 3.86, tiende lid, Vb Verzoeker doet een beroep op artikel 3.86, tiende lid Vb. Verzoeker heeft een lange verblijfsduur (meer dan 10 jaar, maar minder dan 15 jaar) en verzoeker is niet veroordeeld ter zake van een misdrijf waarop zes jaren of meer gevangenisstraf staat en dat een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer tot gevolg had. De voorzieningenrechter volgt verweerder niet in zijn standpunt dat de veroordeling van verzoeker van 29 juni 2011 van de meervoudige strafkamer te Arnhem op grond van artikel 312, tweede lid, aanhef en onder sub 2, WvSr (diefstal gepleegd door twee of meer verenigde personen), in samenhang met artikel 317, eerste lid, WvSr (afpersing) een misdrijf betreft waardoor verzoeker geen beroep kan doen op artikel 3.86, tiende lid, Vb. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is geen sprake van een misdrijf ten aanzien waarvan naar zijn aard vaststaat dat sprake is van een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, zoals aan de orde was in de zaak, die ten grondslag lag aan de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 3 april 2013, waarnaar verweerder heeft verwezen. De wettekst van artikel 317 WvSr geeft daartoe geen aanleiding. Uit de wettekst blijkt dat de omstandigheden waaronder het feit wordt gepleegd bepalen of sprake is van “geweld”, danwel “bedreiging met geweld”. Nu slechts bedreiging met geweld bewezen is verklaard, blijkt uit de veroordeling van verzoeker niet dat sprake is van een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Uit het feit dat de meervoudige strafkamer heeft overwogen dat het een ernstig feit betreft, vloeit niet voort dat dit feit een inbreuk maakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De omstandigheid dat aan verzoeker geen taakstraf is opgelegd, doet eveneens aan het oordeel dat geen sprake is van inbreuk op de lichamelijke integriteit niet af, aangezien de strafrechter ook bij delicten die niet vallen onder artikel 22b, eerste lid, WvSr kan oordelen dat een gevangenisstraf gepast is. Verweerder heeft zich ter zitting subsidiair op het standpunt gesteld dat verzoeker zich bovendien schuldig heeft gemaakt aan mishandeling, met letsel en pijn als gevolg en in dit verband gewezen op de veroordeling van 29 juni 2011. Verzoeker heeft er in dit verband terecht op gewezen dat uit het door hem overgelegde uitgewerkte vonnis van de meervoudige strafkamer van 29 juni 2011 blijkt dat verzoeker is veroordeeld wegens overtreding van artikel 300 WvSr. Overtreding van artikel 300 WvSr wordt bestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren en kan daarom niet worden aangemerkt als een misdrijf zoals bedoeld artikel 3.86, tiende lid, Vb. De in artikel 3.86, tiende lid, Vb opgenomen uitzonderingen zijn dan ook niet van toepassing op grond van de door verweerder aangehaalde veroordelingen, zodat er geen aanleiding is de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De voorzieningenrechter ziet tevens geen aanleiding tot toepassing van de bestuurlijke lus. Hoewel het terugkeerbesluit en het inreisverbod het lot van het wegens een motiveringsgebrek te vernietigen besluit zullen volgen, wordt tevens overwogen dat aan het inreisverbod motiveringsgebreken kleven. Gelet op rechtsoverweging 53 van het arrest Boultif heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom van de Nederlandse partner van verzoeker kan worden verlangd dat zij hem naar Nigeria volgt. Ook heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd hoe het belang van verzoekers Nederlands kind in de besluitvorming is betrokken.
Rechters
Advocaten
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[verzoeker]
verzoeker · onbekend
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
