ECLI:NL:RBDHA:2013:16244
Rechtbank Den Haag · 29-11-2013 · zaaknummer AWB 13/21716
Inhoudsindicatie
Vestigingsgevaar, artikel 32, eerste lid sub b, van de Verordening (EG) nr. 810/2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode). Verweerder neemt tot uitgangspunt dat de economische – en sociale binding afzonderlijke wegingsfactoren zijn, waartussen samenhang bestaat, in die zin dat in zaken waarin sprake is van een sterke economische binding, minder gewicht kan worden toegekend aan het al of niet bestaan van een sociale binding. In een dergelijk geval kan reeds op grond van het bestaan van de economische binding worden aangenomen dat er geen vestigingsgevaar is. Uit het bestreden besluit noch uit de toelichting ter zitting blijkt dat verweerder heeft beoordeeld of er in dit geval aanleiding was om – bij het bestaan van een economische binding – minder gewicht toe te kennen aan de vaststelling dat er geen sociale binding meer met het land van herkomst bestaat. Het besteden besluit berust derhalve niet op een deugdelijke motivering. Beroep gegrond.
Rechters
Advocaten
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
de minister van Buitenlandse Zaken
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de minister van Buitenlandse Zaken
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
