ECLI:NL:RBDHA:2013:13683
Rechtbank Den Haag · 17-09-2013 · zaaknummer AWB 13/12113
Inhoudsindicatie
Verweerder heeft artikel 1(F), onder b, van het Vluchtelingenverdrag niet aan eiser kunnen tegenwerpen zonder te motiveren dat verkrachting wereldwijd feitelijk als ernstig misdrijf wordt behandeld. Verweerder heeft voorts onvoldoende gemotiveerd waarom eiser in Libië in detentie geen reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM. Bij zijn asielaanvraag heeft eiser verteld dat hij zijn zus heeft gedwongen seks met hem te hebben en dat hij naar aanleiding daarvan problemen heeft ondervonden met zijn familie en met de Libische autoriteiten. Bij terugkeer naar Libië vreest hij voor enkele jaren te worden gedetineerd vanwege de verkrachting. De omstandigheden in detentie zijn zodanig dat sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bij de enkele aanwezigheid aldaar. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen omdat artikel 1(F), onder b, van het Vluchtelingenverdrag op hem van toepassing is. Verkrachting is een absoluut niet-politiek delict en geldt als een zwaar misdrijf in Nederland en is ook strafbaar in Libië, aldus verweerder. Verweerder betwist voorts niet dat eiser bij terugkeer naar Libië een groot risico loopt om in detentie te belanden, maar, gelet met name op het meest recente algemeen ambtsbericht van Libië van mei 2012, verweerder stelt zich op het standpunt dat in detentie in zijn algemeenheid geen risico op schending van artikel 3 EVRM bestaat. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat verkrachting internationaal gezien als zodanig ernstig delict wordt beschouwd waartegen feitelijke vervolging plaatsvindt, dat het toepassing van artikel 1(F), onder b, van het Vluchtelingenverdrag rechtvaardigt. De rechtbank stelt verweerder niet op grond van artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht in staat om dit gebrek te helen, omdat verweerder tevens onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser geen reëel risico loopt op een schending van artikel 3 EVRM bij terugkeer naar Libië. De verslagperiode van het ambtsbericht omvat de laatste periode van het Gaddafi regime, de gehele periode van de gewapende opstand tegen Gaddafi en de korte periode na diens dood. Uit het ambtsbericht volgt dat in al die periodes sprake was van onmenselijke behandeling en foltering, in afwisselende maten van omvang, in de detentiecentra. Op het moment dat het ambtsbericht werd opgemaakt stond Libië onder het bestuur van een interim-regering die geen einde kon maken aan deze omstandigheden. Het standpunt van verweerder dat slechts loyalisten van het voormalig regime van Gadaffi in het algemeen een risico lopen op een schending van artikel 3 EVRM in detentie, vindt aldus geen steun in het ambtsbericht. Ten slotte heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom het inreisverbod voor de duur van tien jaar een gerechtvaardigde inmenging is in het recht op familieleven, in de zin van artikel 8 EVRM, dat eiser onderhoudt met zijn partner.
Rechters
Advocaten
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
