ECLI:NL:RBDHA:2013:13670
Rechtbank Den Haag · 15-10-2013 · zaaknummer AWB 12/28471 en AWB 12/28472
Inhoudsindicatie
Syrië, ingangsdatum, WBV 2012/20, artikel 44, tweede lid, Vw 2000, Samenvatting: Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in de brief van 25 juli 2013 in redelijkheid voldoende rechtvaardiging gegeven waarom de ingangsdatum van 15 juni 2011 als uitgangspunt is genomen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit het ambtsbericht van 15 mei 2012 niet volgt dat voor iedere burger van Syrië vanaf maart 2011 bij uitzetting naar Syrië sprake is van een reëel risico om slachtoffer te worden van een behandeling in strijd met het bepaalde in artikel 3 van het EVRM. Immers, de onlusten die in maart 2011 zijn uitgebroken, maakten onderzoek van verweerder naar de veiligheidssituatie in Syrië in het kader van artikel 3 van het EVRM noodzakelijk, alvorens daar consequenties aan verbonden konden worden. In het geval van eisers is, zoals ook verweerder op 25 juli 2013 heeft aangegeven, aldus niet komen vast te staan dat reeds ten tijde van het indienen van hun asielaanvragen op 24 en 25 juni 2009 sprake was van een dergelijk risico. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers in het onderhavige geval wel degelijk een actueel en concreet belang bij een oordeel over de ingangsdatum van de verleende verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd, nu deze bij beoordeling van hun individuele asielrelazen tot verlening van verblijfsvergunningen binnen dezelfde verleningsgrond, maar met een andere ingangsdatum zou leiden. Het gegeven dat het verbod van artikel 3 van het EVRM in artikel 29, aanhef en onder b, van de Vw 2000 is uitgesplitst in drie categorieën, welke overeenkomen met de voorwaarden om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming als neergelegd in artikel 15 (ernstige schade) onder a, b en c, van de Richtlijn 2004/83/EG (hierna: de Definitierichtlijn), maakt dit niet anders. Immers, ten tijde van vorenbedoelde uitspraken van de Afdeling werd ook reeds onderscheid gemaakt met betrekking tot de omstandigheden op grond waarvan een asielzoeker een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 kon krijgen. Het EHRM heeft in de zaak N.A. tegen het Verenigd Koninkrijk van 17 juli 2008 (LJN: BF0248) nadrukkelijk de mogelijkheid opengelaten dat de algemene situatie kan maken dat een vreemdeling bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, te weten in het geval van the most extreme cases of general violence. De implementatie van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 kan in zoverre dan ook niet worden aangemerkt als wijziging van recht, zodat reeds ten tijde van de uitspraken van de Afdeling inzake het doorprocederen over de ingangsdatum van een verleende vergunning asiel een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingevolge artikel 29, aanhef en onder b, van de Vw 2000 kon worden verleend enkel op grond van de zeer uitzonderlijke situatie dat de mate van geweld zodanig groot is dat iedere burger enkel door zijn aanwezigheid aldaar reeds een reëel risico loopt op een behandeling die door artikel 3 van het EVRM wordt verboden. Daarnaast volgt uit de jurisprudentie van het EHRM dat de omstandigheden die in een bepaald geval tot een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM kunnen leiden, niet afzonderlijk en op verschillende momenten worden beoordeeld, maar in onderlinge samenhang moeten worden bezien en in één keer worden beoordeeld. Daarom doen zich in het geval van eisers verschillen voor in de materiële rechtspositie binnen de gehanteerde verleningsgrond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Toelating op deze verleningsgrond vanwege hun individuele relaas zou immers hebben plaatsgevonden met ingang van de datum van de aanvragen, zodat zij reeds met ingang van 24 of 25 juni 2014 in aanmerking zouden komen voor verblijfsvergunningen asiel voor onbepaalde tijd in plaats van, zoals thans, met ingang van 15 juni 2016.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
