Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBDHA:2013:12888

Rechtbank Den Haag · 26-09-2013 · zaaknummer AWB 13/4407

BestuursrechtGepubliceerd 01-10-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Asiel. Veilig derde land (artikel 31, tweede lid, aanhef en onder h, Vw 2000 en artikel 3:106a Vb 2000). Griekenland. De rechtbank stelt voorop dat de positie van eiser in Griekenland niet op één lijn kan worden gesteld met de positie van een asielzoeker in Griekenland of met de positie van de verzoeker in de zaak die heeft geleid tot de hiervoor aangehaalde uitspraak M.S.S. tegen België en Griekenland. De Griekse autoriteiten hebben aan eiser immers een verblijfsvergunning verleend op grond van humanitaire gronden en eiser heeft in Griekenland een leven opgebouwd. Hij was daar in staat te wonen, te werken en te reizen. Weliswaar heeft eiser aangevoerd dat die verblijfsvergunning thans niet meer geldig is, maar eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Griekse autoriteiten niet bereid zijn de geldigheidsduur van die vergunning te verlengen. Wat betreft het racistische geweld tegen immigranten in Griekenland moet worden geoordeeld uit de door eiser genoemde informatie volgt dat dit zorgwekend is, zoals de minister ook heeft uiteengezet in meergenoemde brief. Die informatie biedt evenwel onvoldoende grond voor het oordeel dat eiser in Griekenland niet overeenkomstig het beginsel zal worden behandeld dat het leven en de vrijheid niet worden bedreigd om redenen van ras, religie of nationaliteit (artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000). Eiser heeft weliswaar aangevoerd dat hij door Griekse burgers en de Griekse politie is mishandeld, maar het een, noch het ander heeft hij aannemelijk gemaakt, terwijl bovendien niet elke schending van een grondrecht leidt tot de conclusie dat eiser niet overeenkomstig evenbedoeld beginsel zal worden behandeld. In dit verband is van belang dat eiser gedurende een periode van ongeveer tien jaren in Griekenland heeft verbleven, waarvan de laatste periode op basis van een door de Griekse autoriteiten verleende verblijfsvergunning, en daar een leven heeft opgebouwd. Eiser heeft in Griekenland kunnen wonen, werken, en reizen. Eiser heeft aldus niet aannemelijk gemaakt dat in zijn geval sprake is van een onmenselijke en vernederende behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Voor zover eiser zich beroept op het in meergenoemde brief van de minister weergegeven beleid om geen vreemdelingen op basis van de Dublin-verordening over te dragen aan Griekenland, moet worden geoordeeld dat de terugkeer van eiser naar Griekenland is gebaseerd op de Terugkeerrichtlijn en niet op de Dublin-verordening. Aangezien voorts, zoals hiervoor reeds overwogen, eiser niet op één lijn kan worden gesteld met de positie van een asielzoeker in Griekenland en eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Griekenland niet overeenkomstig het beginsel neergelegd in artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 zal worden behandeld, bestaat geen grond voor de conclusie dat verweerder in strijd handelt met het gelijkheidsbeginsel door vreemdelingen op basis van de Dublin-verordening niet over te dragen aan Griekenland en eiser wel. Wat betreft het betoog van eiser dat hij in Griekenland niet overeenkomstig de beginselen neergelegd in artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder b, c en d van het Vb 2000 zal worden behandeld, moet worden geoordeeld dat eiser dat niet aannemelijk heeft gemaakt. Uit het feit dat de Griekse autoriteiten eiser op grond van humanitaire gronden een verblijfsvergunning hebben verleend, heeft verweerder terecht afgeleid dat die autoriteiten blijk hebben gegeven eiser bescherming te willen verlenen. Zoals hiervoor overwogen heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat die autoriteiten niet bereid zijn de geldigheidsduur van die vergunning te verlengen. Eiser heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat bij een eventuele intrekking of weigering van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor hem daartegen geen effectief rechtsmiddel beschikbaar is. Een enkele verwijzing naar de uitspraak M.S.S. tegen België en Griekenland volstaat hier niet, omdat, zoals hiervoor reeds overwogen, de positie van eiser in Griekenland niet op één lijn kan worden gesteld met de positie van een asielzoeker in Griekenland of met de positie van de verzoeker in de zaak die heeft geleid tot die uitspraak. De enkele stelling van eiser dat hij over onvoldoende middelen beschikt om rechtsbijstand te kunnen betalen volstaat, wat daar ook van zij, evenmin.

Rechters

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.

Partijen

  • [eiser]

    eiser · onbekend

  • de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie

    verweerder · overheid

Overheidspartijen

  • de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie

    verweerder

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.