Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBDHA:2013:11103

Rechtbank Den Haag · 13-06-2013 · zaaknummer AWB 12-32928

Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 27-08-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

In een eerdere procedure heeft de voorzieningenrechter bij uitspraak van 6 juli 2011 de voorlopige voorziening hangende bezwaar toegewezen, omdat de BMA-adviseur zich nog zal moeten uitlaten over het oordeel van de behandelaar van verzoekster dat een veilige behandelomgeving een voorwaarde is voor de behandeling van het ptss van verzoekster, en voor zover de BMA-adviseur dat oordeel deelt, zal moeten onderzoeken of in het land van herkomst aan de behandelvoorwaarde van een veilige behandelomgeving voor verzoekster kan worden voldaan. Verweerder heeft zich vervolgens in het besluit op bezwaar op het standpunt gesteld dat op grond van de aanvullende adviezen van BMA van 19 juli 2012 en 25 september 2012 geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de effectiviteit van de behandelmogelijkheden van eiseres in Armenië. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de aanvullende BMA-adviezen geen nadere motivering vormen, waarom de informatie van de behandelaars, niet tot de conclusie leidt dat er voor eiseres geen effectieve behandelmogelijkheden in Armenië aanwezig zijn vanwege het ontbreken van een door haar als veilig ervaren behandelingsomgeving. Eiseres verwijst in dit verband naar de brieven van de behandelaars van 15 mei 2012 en 14 augustus 2012. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met betrekking tot voormelde brieven van de behandelaars van eiseres niet kan volstaan met de enkele stelling dat deze geen aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de BMA. Anders dan door verweerder in het bestreden besluit is gesteld, kan uit de brieven van de behandelaars niet zonder meer worden afgeleid dat sprake is van (uitsluitend) een verschil van mening. In beide brieven is door de behandelaars de concrete situatie van eiseres belicht. De behandelaars hebben in de brief van 14 augustus 2012 gesteld dat gezien de aard en het ontstaan van de klachten van eiseres, de behandeling van haar posttraumatische klachten in Armenië in een context van zodanige onveiligheid zal plaatsvinden, dat deze behandeling “niet mogelijk” zal zijn. Ook wordt in de brief van 15 mei 2012 al vermeld dat “een zinvolle behandeling zeer waarschijnlijk niet mogelijk zal zijn”. Daarmee kan naar het oordeel van de rechtbank gesproken worden van een “onaanvaardbare behandeling” welk criterium in voormelde uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2012 is opgenomen. Hoewel de BMA-arts in het advies van 19 juli 2012, naast de vermelding dat hij het een niet objectiveerbaar gegeven vindt, heeft vermeld dat de uitlatingen van de behandelaars hem geen aanleiding geven om op voorhand te twijfelen aan de effectiviteit van de in Armenië aanwezige behandeling en daarmee is ingegaan op de door de behandelaars gestelde voorwaarde, zijn naar het oordeel van de rechtbank voormelde uitlatingen van de behandelaars onvoldoende bij dit advies betrokken. Allereerst betreft het hier – zoals ook door eiseres in beroep is gesteld - behandelaars met een specifieke psychiatrische deskundigheid. Gelet op de concrete informatie met betrekking tot de aard en het ontstaan van de klachten van eiseres en de noodzakelijke therapie, waaronder de voorwaarde van een veilige behandelomgeving, door de behandelaars vanuit hun specifieke deskundigheid aangedragen, had het BMA zich meer specifiek en gemotiveerd dienen uit te laten over de vraag of al dan niet aanleiding bestond tot gerede twijfel over de effectiviteit van de door eiseres in Armenië te ondergane behandeling. De omstandigheid dat de brief van de behandelaars van 14 augustus 2012 nog op 5 september 2012 door verweerder is voorgelegd aan het BMA, zag slechts op de vraagstelling of de stelling van de behandelaars dat eiseres een cognitieve therapie of EMDR na stabilisatie zou moeten volgen, tot een ander standpunt zou moeten leiden. Naar het oordeel van de rechtbank is de voorbereiding van de BMA-nota van 25 september 2012 aldus ook onvoldoende geweest. Bovendien kan deze aanvullende nota gezien de inhoud niet worden beschouwd als een gemotiveerde reactie op de brief van de behandelaars van 14 augustus 2012 nu de BMA-arts daarin verder ook niet op de inhoud van de brief van 14 augustus 2012 van de behandelaars is ingegaan.

Advocaten

  • U. Koopmans

Partijen

  • [eiseres]

    eiseres · onbekend

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.