Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBDHA:2013:10657

Rechtbank Den Haag · 08-08-2013 · zaaknummer AWB-12_11004

Bestuursrecht; BelastingrechtGepubliceerd 20-08-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Eiseres heeft in 2006 een bedrijfspand verkocht. In haar aangifte heeft zij voor de verkoopwinst een herinvesteringsreserve (HIR) gevormd. Bij het opleggen van de primitieve aanslag heeft verweerder het vormen van de HIR slechts ten dele toegestaan, namelijk zover deze betrekking had op een in 2008 door eiseres in de VS verrichte investering. Nadat Hof Den Haag uitspraak heeft gedaan in de procedure betreffende de primitieve aanslag, waarbij het Hof heeft geoordeeld dat eiseres in het geheel niet aannemelijk heeft gemaakt dat eind 2006 enig voornemen tot herinvestering heeft bestaan, heeft verweerder een navorderingsaanslag aanslag aan eiseres opgelegd waarbij de eerder wel toegestane HIR wordt teruggenomen. In geschil is of sprake is van een nieuw feit of van kwade trouw op grond waarvan verweerder kan navorderen. Rechtbank Den Haag oordeelt dat dit niet het geval is. Eiseres en verweerder hebben in de fase van de primitieve aanslagregeling uitgebreid gecorrespondeerd over de vraag of en in hoeverre de vorming van een HIR mogelijk was, waarbij ook nadrukkelijk het investeringsvoornemen en de investering in de VS aan de orde zijn gekomen. Verweerder heeft vervolgens bij de vaststelling van de primitieve aanslag de vorming van een HIR toegestaan voor zover deze verband hield met de investering in de VS. Naar blijkt uit het door het gerechtshof opgestelde proces-verbaal van het verhandelde ter zitting, heeft verweerder aldaar verklaard dat het moeizaam was om van eiseres informatie boven water te krijgen ter zake van de investering in de VS en dat het toestaan van de vorming van een HIR bij de primitieve aanslag voor die investering als een soort coulance moet worden beschouwd. Uit die verklaring ter zitting leidt de rechtbank af dat verweerder - kennelijk zonder overtuigd te zijn van enig investeringsvoornemen in 2006 in de VS - de HIR destijds tot het bedrag van de investering in de VS zonder verder onderzoek welbewust heeft toegestaan. De rechtbank is van oordeel dat in dit licht bezien het enkele feit dat het gerechtshof in zijn uitspraak heeft geoordeeld dat eiseres in het geheel niet aannemelijk heeft gemaakt dat eind 2006 enig voornemen tot herinvestering heeft bestaan, niet heeft te gelden als een navordering rechtvaardigend nieuw feit. Verder maakt verweerder ook niet aannemelijk dat eiseres ter zake van het ontbreken van een investeringsvoornemen in de VS te kwader trouw was. Beroep gegrond.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.

Partijen

  • Belastingdienst [te P]

    verweerder · overheid

Overheidspartijen

  • Belastingdienst [te P]

    verweerder

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.