ECLI:NL:RBDHA:2013:10259
Rechtbank Den Haag · 18-06-2013 · zaaknummer 12-33154
Inhoudsindicatie
Eiser doet zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘beperking conform beschikking minister’ steunen op de volgende feiten en omstandigheden: zijn bijzondere band met zijn jongere broer, met wie eiser samen als alleenstaande minderjarige vreemdelingen naar Nederland is gekomen en die thans een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd heeft, zijn medische klachten (plastische anaemie en psychische klachten), zijn relatie met zijn vriendin, zijn opleiding en de mogelijkheid om in Nederland als kapper aan het werk te gaan, de kapperswerkzaamheden die hij thans reeds op vrijwillige basis en in het kader van vrijwilligerswerk en voor een goed doel verricht, zijn lange verblijf in Nederland met periodes waarin hij rechtmatig verblijf had op grond van een verblijfsvergunning en het feit dat hij zijn volledige sociale netwerk in Nederland heeft en geen banden meer heeft met zijn land van herkomst. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder al deze elementen wel afzonderlijk gewogen, doch daarmee, gelet op de uitdrukkelijke samenhang van die feiten en omstandigheden, daaronder met name de afhankelijkheid van eisers broer van eiser gedurende 10 jaar in Angola, gevoegd bij beider maatschappelijk en sociaal zeer positieve ontwikkeling in Nederland, wat betreft de broer ongetwijfeld in diens vormende jaren, wat betreft eiser gedurende een periode waarin hij deels niet hoefde en deels niet kon terugkeren naar Angola, onvoldoende recht gedaan aan de door de ABRvS gestelde eis: een toereikend inzicht bieden in de verrichte beoordeling. Zonder nadere motivering valt voor de rechtbank niet in te zien op grond waarvan de voornoemde feiten en omstandigheden, in volledige onderlinge samenhang bezien, niet voldoende schrijnend zijn voor een geslaagd beroep op artikel 3.4, derde lid, van het Vb. Op grond van artikel 8:80a, eerste lid, van de Awb doet de rechtbank een tussenuitspraak als zij termen aanwezig acht voor het toepassen van een zogenaamde bestuurlijke lus, zoals deze is voorzien in artikel 8:51a van de Awb. In dit geval acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb in de gelegenheid te stellen om bovengenoemd gebrek in de bestreden besluiten te herstellen. Dit herstellen kan leiden tot hetzij een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, een nieuw besluit na intrekking van het bestreden besluit en het primaire besluit.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder · overheid
[eiser]
eiser · onbekend
Overheidspartijen
Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
