ECLI:NL:RBBRE:2007:BA7878
Rechtbank Breda · 01-05-2007 · zaaknummer AWB 06/1895
Inhoudsindicatie
De rechtbank is van oordeel dat het bij de inbreng van belanghebbendes onderneming in de maatschap met de BV niet reeds vaststond dat de onderneming zou worden geliquideerd. Het enkele voornemen tot bedrijfsbeëindiging en het treffen van voorbereidingshandelingen zijn namelijk niet gelijk aan een daadwerkelijke bedrijfsbeëindiging. Belanghebbende mocht voor de bij de inbreng gerealiseerde stakingswinst derhalve fiscaal aftrekbare lijfrentes bedingen bij de BV, met inachtneming van het in artikel 3.129, lid 2, letter c van de Wet IB 2001 genoemde maximum.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
Belastingdienst
verweerder · overheid
[belanghebbende]
belanghebbende · onbekend
Overheidspartijen
Belastingdienst
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
