ECLI:NL:RBASS:2011:BQ4348
Rechtbank Assen · 18-01-2011 · zaaknummer 19.605847-09
Inhoudsindicatie
Bijzondere bewijsoverweging met betrekking tot het onder 4 tenlastegelegde De rechtbank overweegt dat aangever [slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij geld wilde beleggen en dat hij daartoe zelf contact heeft gezocht met verdachte. [slachtoffer 3] is daartoe uitdrukkelijk niet door verdachte bewogen. [slachtoffer 3] heeft vervolgens, zonder eerst onderzoek te doen naar de (financiële status van de) onderneming van verdachte, besloten om zijn geld te investeren in [bedrijf verdachte]. Dit geld is bij verdachte terechtgekomen en verdachte heeft het vervolgens grotendeels te eigen bate aangewend. Een klein deel (€ 15.000,00) heeft verdachte aangewend voor het kopen van afspraken en kan worden aangemerkt als investering in het bedrijf. Het overige deel (€ 85.000,00) heeft verdachte privé aangewend. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan verduistering zoals subsidiair tenlastegelegd en zal zij hem van het primair tenlastegelegde, oplichting, vrijspreken. De vorderingen van de benadeelde partijen De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]: Deze vordering dient naar het oordeel van de rechtbank niet-ontvankelijk te worden verklaard omdat hierop al door de civiele rechter is beslist en de benadeelde al een executoriale titel heeft. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]: Vaststaat dat verdachte in 2008 failliet is verklaard. Schuldeisers dienen zich in beginsel te wenden tot de curator om hun vordering ter verificatie aan te melden. De curator is geen partij in het strafgeding. Gelet hierop dienen de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] eveneens niet-ontvankelijk te worden verklaard. Schadevergoedingsmaatregel De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt: Het faillissement van verdachte is bij de beoordeling van een individuele vordering benadeelde partij een bepalend gegeven. Dat bepalende karakter heeft het naar het oordeel van de rechtbank niet bij de vraag of er een schadevergoedingsmaatregel kan worden opgelegd. De schadevergoedingsmaatregel is een zelfstandige strafrechtelijke maatregel die beoogt een door een strafbaar feit benadeelde te versterken in zijn positie tot herstel van de rechtmatige toestand. Hieraan ligt de gedachte ten grondslag om de benadeelde de inspanningen om dat herstel te bereiken zoveel als mogelijk is uit handen te nemen. Die inspanningen worden door het opleggen van de maatregel in handen gelegd van het openbaar ministerie (de Staat), waarbij deze mede gebonden is aan de speciale regelgeving met betrekking tot een gefailleerde. Reeds daarom kan niet worden gezegd dat het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel niet opportuun is en evenmin dat het opleggen als vanzelfsprekend neerkomt op een verkapte straf zoals door de verdediging aangevoerd. Dit verweer wordt derhalve verworpen en omdat verdachte op zich naar burgerlijk recht jegens [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] aansprakelijk is voor de schade die door de bewezen verklaarde strafbare feiten is toegebracht zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot de hieronder te vermelden bedragen.
Advocaten
Officier van justitie
- C. Westerling
officier van justitie
Partijen
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
