ECLI:NL:RBASS:2008:BC1868
Rechtbank Assen · 18-01-2008 · zaaknummer 19-820017/04
Inhoudsindicatie
de termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is aangevangen met de aanhouding van verdachte op 9 juli 2004. Sindsdien zijn drie jaren, zes maanden en twaalf dagen verstreken. Er is weliswaar enige vertraging opgetreden als gevolg van de herhaalde verzoeken van de verdediging tot het horen van getuigen, doch deze vertraging bedraagt in totaal nog geen zes maanden. Een behandeling in eerste aanleg dient volgens de Hoge Raad in principe binnen twee jaren te zijn voltooid. De totale termijnoverschrijding bedraagt dus ruim één jaar en kan geheel op het conto van het openbaar ministerie worden geschreven. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook sprake van een forse overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM. Overschrijding van deze termijn leidt naar het oordeel van de rechtbank echter niet per definitie tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. Het staat de rechtbank immers vrij een lagere straf op te leggen dan zij zonder schending van de clausule zou hebben gedaan (HR 3 oktober 2000, NJ 2000,721). De Hoge Raad overweegt: in de regel behoort overschrijding van de redelijke termijn te leiden tot strafvermindering. Voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in zijn vervolging is slechts in uitzonderlijke gevallen plaats.
Advocaten
- H. Supèr
- H.J. Borghuis
Officier van justitie
- H. Supèr
officier van justitie
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
