Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBASS:2001:AD8048

Rechtbank Assen · 09-08-2001 · zaaknummer 01/14 WSFBSF P01 G03

Bestuursrecht; Bestuursrecht; SocialezekerheidsrechtGepubliceerd 04-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Niet volgen van door voormalig College van beroep studiefinanciering uitgezette jurisprudentielijn in kader art. 32 WSF Naar vaste jurisprudentie van het College (Cvbs 17 september 1996, WSF 10093095, USF 1997-1998, nr, 68) is het tweede lid van art. 32 WSF alleen van toepassing op initiële verzoeken, dat wil zeggen op verzoeken waarbij de rechtsverhouding tussen partijen voor de eerste maal wordt bepaald. Daarbij gaat het om de (eerste) aanvraag van de basisbeurs en de (eerste) aanvraag van de aanvullende financiering. Rechtbank ziet aanleiding de door het College op dit punt uitgezette jurisprudentielijn niet te volgen. Ingevolge het tweede lid van artikel 32 van de WSF geldt als hoofdregel dat de verlening van studiefinanciering niet met terugwerkende kracht kan plaatsvinden. Het derde lid vormt hierop echter een uitzondering: indien de aanvraag is gedaan in een maand waarin reeds studiefinanciering bestond kan - zij het zeer beperkt - de aanvraag met terugwerkende kracht worden toegekend. De terugwerkende kracht is dan beperkt tot het begin van de maand waarin het verzoek is gedaan. De uitzondering van artikel 32, derde lid, van de WSF geldt niet voor de aanvraag van aanvullende beurs. De aanvullende beurs kan derhalve pas worden toegekend vanaf de datum van de aanvraag. Uit het tweede en derde lid van artikel 32 van de WSF in onderling verband beschouwd, leidt de rechtbank af dat de toekenning van de studiefinanciering alleen dan niet met - zeer beperkte - terugwerkende kracht kan plaatsvinden, indien het een eerste aanvraag om studiefinanciering of een latere aanvraag om aanvullende beurs betreft. Dit brengt mee dat het derde lid van artikel 32 van de WSF wel van toepassing is in gevallen als de onderhavige, waarin wordt verzocht om met terugwerkende kracht een normbedrag voor de ziektekosten toe te kennen. De rechtbank wijst er hierbij nog op dat in de Wet op de studiefinanciering 2000 het oude artikel 32, derde lid, van de WSF is aangepast (en omgenummerd tot artikel 3.21 van de Wet op de studiefinanciering 2000) om beter tot uitdrukking te brengen hoe in de uitvoeringspraktijk moet worden omgegaan met een eerste verzoek om toekenning van studiefinanciering. De wetgever heeft daarbij niet beoogd inhoudelijke wijzigingen aan te brengen. Uit de nieuwe tekst blijkt expliciet dat het derde lid (onder meer) ziet op aanvragen om in aanmerking te komen voor het normbedrag voor de ziektekostenverzekering. Anders dan het College is de rechtbank dan ook van oordeel dat, gelet op de tekst van artikel 32 van de WSF, de wetshistorie en de wetssytematiek, een verzoek als gedaan door eiser niet kan worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen op de toekenningsbeslissing van 4 november 1997. Bij de laatstgenoemde beslissing heeft verweerster geen besluit genomen omtrent het al dan niet toekennen van een normbedrag voor de ziektekosten in verband met het particulier verzekerd zijn van eiser. De aanvraag van eiser was daarop destijds ook niet gericht. Beroep gegrond en vernietiging besluit. De Informatie Beheer Groep, verweerster. mrs. J.H. de Wildt, H.J. de Mooij, T.F. Bruinenberg

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.