Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBASS:2000:AA5686

Rechtbank Assen · 28-03-2000 · zaaknummer 99/671 WW P09

Bestuursrecht; Bestuursrecht; SocialezekerheidsrechtGepubliceerd 04-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Overgangsrecht (art. XXI) bij art. 7:672 BW niet van toepassing in het kader van fictieve opzeggingstermijn ex art. 16.3 WW. M.i.v. 1 april 1999 is de arbeidsovereenkomst tussen eiseres (geb. in 1944) en werkgever ontbonden, onder toekenning van een vergoeding van f 89.521,-- aan eiseres. Verweerder heeft eiseres medegedeeld dat zij eerst, cf. overgangsrecht (art. XXI) bij art. 7:672 BW, ingaande 1 september 1999 (opzeggingstermijn van 22 weken) recht heeft op een WW-uitkering. Rb.: I.c. zou de uit art. 7:672 BW voortvloeiende termijn vier maanden bedragen. Pp. twisten echter over de vraag of op grond van het overgangsrecht van de Flexwet van een langere (fictieve) opzeggingstermijn moet worden uitgegaan. O.g.v. dit overgangsrecht moet voor een werknemer van 45 jaar of ouder een langere opzeggingstermijn worden gehanteerd, indien deze werknemer daar voor inwerkingtreding van de Flexwet recht op zou hebben gehad. Voor eiseres zou dit betekenen dat van een fictieve opzeggingstermijn van 22 weken, in plaats van 4 maanden, moet worden uitgegaan. De Rb. merkt daarover op dat in 16.3 WW wordt verwezen naar het bepaalde in art. 7:672 BW. Niet verwezen wordt naar art. XXI Flexwet, doch dit artikel wordt ook niet uitdrukkelijk uitgezonderd. De vraag in deze is of het betreffende overgangsartikel in alle gevallen onlosmakelijk is verbonden met art. 7:672 BW. Deze vraag is niet volledig aan de wetgever voorbij gegaan. De minister van SZW heeft tijdens een wetgevingsoverleg een dergelijke casus ter sprake gebracht. Hij merkte hieromtrent echter slechts op dat "dat een interessante casuspositie" zou zijn (TK, vergaderjaar 1998-1999, 26 257, nr. 12, blz. 18). Noch de tekst van de wet, noch de wetsgeschiedenis, verschaft derhalve voldoende duidelijkheid omtrent dit punt. De Rb. is van oordeel, gelet op het doel en de strekking van art. 16.3 WW, dat het overgangsrecht ter zake van de Flexwet in het kader van art. 16.3 WW niet van toepassing is. Hierbij acht zij onder meer van belang dat het desbetreffende overgangsrecht in relatie tot art. 7:672 BW van civielrechtelijke aard en betekenis is. Dit overgangsrecht ziet immers op de relatie tussen werkgever en werknemer, met blijkens de Memorie van Antwoord als achtergrond bescherming van een bepaalde groep werknemers. De Rb. voegt daar nog aan toe dat alleen al gelet op laatstgenoemd oogmerk, het naar haar oordeel niet zo kan zijn, dat het betreffende overgangsrecht in sociaal verzekeringsrechtelijke zin juist in het nadeel van diezelfde werknemers zou moeten werken. De Rb. stelt zich op het standpunt dat, indien deze werking wel zou worden beoogd, zulks door de wetgever uitdrukkelijk in de tekst van de wet tot uitdrukking had moeten worden gebracht. Het gevolg van het hiervoren beschrevene is dat de termijn voortvloeiend uit art. 7:672 BW van toepassing is, dus zonder gebruikmaking van het overgangsrecht, tenzij hiervan schriftelijk is afgeweken. Ter terechtzitting heeft eiseres aangevoerd dat in haar arbeidscontract een opzeggingstermijn van vier maanden is overeengekomen. Zij heeft deze overeenkomst echter (nog) niet kunnen overleggen. Naar het oordeel van de Rb. is dit voor de beslechting van het onderhavige geschil ook niet noodzakelijk, nu deze overeengekomen termijn geen afwijking van de wettelijke termijn inhoudt. Uitgegaan moet derhalve worden van een opzeggingstermijn van vier maanden. O.g.v. de artt. 16.3 WW en 7:672.4 BW, dient de aldus berekende civielrechtelijke opzeggingstermijn echter nog met een maand te worden verkort. Een dergelijke aftrek moet immers bij de bepaling van de fictieve opzeggingstermijn - anders dan art. 7:672 lid 4 zelf aangeeft - ook plaatsvinden indien het gaat om een door de kantonrechter uitgesproken ontbinding. De duur van de voor eiseres geldende fictieve opzeggingstermijn bedraagt dientengevolge drie maanden. Beroep gegrond; verweerder dient nieuw besluit te nemen. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Cadans Zeist), verweerder. mr. T.F. Bruinenberg

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Partijen

  • [eiseres]

    eiseres · onbekend

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.