Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBARN:2012:BW9172

Rechtbank Arnhem · 18-06-2012 · zaaknummer 229145

Civiel rechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Kopje voor zaak IvHG-VGZ, vs van 18 juni 2012 Partijen hebben sinds 2000 opeenvolgende overeenkomsten voor bepaalde tijd gesloten voor de verlening van zorg (hyperbare zuurstoftherapie) door IvHG aan VGZ-verzekerden en de vergoeding van die zorg door VGZ aan IvHG. De laatste overeenkomst voor het jaar 2011 is geëindigd op 31 december 2011. Partijen hebben vanaf november 2011 onderhandeld over een nieuwe overeenkomst voor het jaar 2012. Op 2 mei 2012 heeft IvHG uiteindelijk de onderhandelingen afgebroken omdat er volgens haar geen zicht meer was op het bereiken van overeenstemming over de voorwaarden van de nieuwe overeenkomst. VGZ wil met IvHG alleen een overeenkomst sluiten voor 2012 als een zorgkosten¬plafond onderdeel daarvan uitmaakt. Het zorgkostenplafond is het bedrag dat VGZ in 2012 ten hoogste aan IvHG zal vergoeden voor de door IvHG aan VGZ-verzekerden verleende zorg. De vraag die de partijen verdeeld houdt is of VGZ in de gegeven omstandigheden vrij staat aan de voortzetting de contractuele relatie met IvHG ná 31 december 2011 zodanig gewijzigde voorwaarden te verbinden die voor IvHG substantiële en zeer ingrijpende gevolgen kunnen hebben, zoals het aan de gecontracteerde zorg verbinden van een maximumvergoeding (zorgkostenplafond). Onbestreden is dat IvHG sinds 2000, gedurende twaalf jaar, onder soortgelijke voorwaarden en zonder een zorgkostenplafond dan wel een andersoortige volume- of kostenvergoeding¬begrenzing met VGZ heeft gecontracteerd over de door haar aan VGZ-verzekerden te leveren zorg en de vergoeding van die zorg door VGZ. Voor een contract voor het jaar 2012 heeft VGZ voor het eerst de voorwaarde van een zorgkostenplafond gesteld en daarmee voor het eerst een grens gesteld aan de door haar aan IvHG voor het gecontracteerde jaar te vergoeden zorg. Niet aanvaard kan worden dat VGZ tegen die achtergrond volstrekt vrij staat naar goeddunken de (contractuele) relatie met IvHG ná 31 december 2011 niet voor te zetten, dan wel enkel voort te zetten onder substantieel gewijzigde voorwaarden die voor IvHG zeer ingrijpend zijn, zoals het vaststellen van een maximum aan de vergoeding die IvHG toekomt voor haar dienstverlening aan VGZ-verzekerden. Aangenomen moet worden dat partijen ten gevolge van de door hen gedurende twaalf jaar lang met elkaar gesloten opeenvolgende contracten voor bepaalde tijd, meestal voor één jaar en een enkele keer voor twee jaar, tot elkaar zijn komen te staan in een (rechts)verhouding die wordt beheerst door maatstaven van pericontractuele redelijkheid en billijkheid. Deze redelijkheid en billijkheid brengen een begrenzing aan de contractsvrijheid van beide partijen. Hieruit vloeit onder meer voort dat VGZ zich bij haar beslissing de relatie al dan niet voort te zetten, dan wel enkel onder sterk gewijzigde en voor IvHG ingrijpende voorwaarden voort te zetten, niet alleen mag laten leiden door haar eigen gerechtvaardigde belangen, die van haar verzekerden en die van de mede door haar behartigde belangen van de gezondheidszorg in het algemeen, maar zich mede zal moeten laten leiden door de gerechtvaardigde belangen van haar jarenlange contractspartner IvHG. Derhalve dient te worden beoordeeld of het door VGZ gewenste zorgkostenplafond - en de hoogte van het bedrag daarvan - in het nieuwe contract voor 2012 ten opzichte van de contractering in de voorgaande jaren, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is in de pericontractuele verhouding tussen partijen, welke verhouding de contractsvrijheid van beide partijen beperkt. De voorzieningenrechter komt tot de slotconclusie dat het op grond van de hiervoor bedoelde eisen van redelijkheid en billijkheid toegestaan is dat VGZ een zorgkostenplafond gaat hanteren voor de nieuwe overeenkomst voor 2012, maar niet op de wijze zoals VGZ dat wil door de hoogte van het zorgkostenplafond te stellen op een groei van 2,5% ten opzich¬te van 2011, welke beperkte groei geen recht doet aan de gerechtvaardigde belangen van IvHG, en evenmin op de wijze zoals IvHG dat wil door de hoogte van het zorgkosten¬plafond te stellen op een groei van 50% ten opzichte van 2011, welke hoge groei weer tegen¬strijdig is met de gerechtvaardigde belangen van VGZ. Daarom moeten partijen wat betreft de hoogte van het zorgkostenplafond op zoek gaan naar een middenweg die recht doet aan de gerechtvaardigde belangen van beide partijen en ook die van de verzekerden van VGZ en van de zorgverlening in zijn algemeenheid. Partijen moeten met dit uitgangspunt dooronderhandelen over een nieuw contract voor 2012.

Rechters

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.