Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBARN:2011:BP6095

Rechtbank Arnhem · 11-02-2011 · zaaknummer 209241

Civiel rechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Ten aanzien van de vordering van ABT die ertoe strekt dat HAN de uitkomst dient af te wachten van het hoger beroep dat ABT heeft ingesteld tegen het kort gedingvonnis van 24 november 2010, wordt overwogen dat geen rechtsregel met zich meebrengt dat de aanbestedende dienst gehouden is om met definitieve gunning te wachten op de uitkomst van hoger beroep, ingesteld tegen een kort gedingvonnis dat is gewezen in verband met de desbetreffende aanbestedingsprocedure. Dat beginsel, dat hoger beroep van een kort gedingvonnis in een aanbestedingsprocedure geen opschortende werking heeft, volgt ook uit de memorie van toelichting (kamerstukken II 2008-2009, 32 027, nr. 3 blz. 18 en 19) op de WIRA: ‘Wordt tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter hoger beroep aangetekend, dan heeft dit alleen opschortende werking indien dit in het vonnis is bepaald’. Uit het vorenstaande kan verder worden afgeleid dat de voorzieningenrechter bij toepasselijkheid van de WIRA in de visie van de wetgever in zijn vonnis kan bepalen dat het instellen van hoger beroep wel opschortende werking heeft, in die zin dat de aanbestedende dienst met de definitieve gunning dient te wachten op de uitkomst van het hoger beroep als dat tegen zijn uitspraak in kort geding wordt ingesteld. Daarop gelet en op het feit dat een voorziening in kort geding per definitie voorlopig van aard is, valt niet in te zien waarom niet – alsnog – in een tweede kort geding desgevorderd bepaald kan worden dat de instelling van het hoger beroep tegen het eerste kort gedingvonnis opschortende werking heeft, mits de feiten en omstandigheden van het geval daarvoor aanleiding geven. In beginsel zal dat slechts het geval kunnen zijn op grond van nieuwe feiten en omstandigheden die zich na het eerste kort geding hebben voorgedaan. De vraag is dus of er hier feiten en omstandigheden zijn op grond waarvan het geraden is dat HAN met definitieve gunning van de onderhavige opdracht wacht op de uitkomst van het hoger beroep dat ABT tegen het eerste kort gedingvonnis van 24 november 2010 heeft ingesteld. ABT stelt dat zij vermoedens heeft dat de selectie- en aansluitende gunningsfase in de onderhavige aanbestedingsprocedure onrechtmatig is verlopen. Om die reden vordert zij inzage in tal van onderliggende stukken, teneinde zelf de rechtmatigheid te kunnen controleren van het voornemen van HAN om de opdracht te gunnen aan de combinatie van Damen en Van der Ven. Evenwel voert ABT daarvoor niets nieuws aan. Zij beroept zich op een samenstel van door haar gestelde feiten en omstandigheden dat in wezen al aan de orde geweest in het eerste kort geding, dat heeft geleid tot het vonnis van 24 november 2010. Bij deze stand van zaken ziet de voorzieningenrechter dan ook geen aanleiding om HAN te veroordelen tot – kort gezegd – het verstrekken van de gevorderde stukken.

Advocaten

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.