ECLI:NL:RBARN:2011:BP5078
Rechtbank Arnhem · 17-02-2011 · zaaknummer AWB 09/3686
Inhoudsindicatie
Wet op belastingen van rechtsverkeer. Inbrengvrijstelling van artikel 15, eerste lid, aanhef, onderdeel e, onder 2, WBR. Anders dan de inspecteur betoogt, ligt naar het oordeel van de rechtbank noch in de tekst van de WBR, noch in artikel 5, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer niet de eis besloten dat bij inbreng door een maat van zijn maatschapsaandeel in een besloten vennootschap verplicht ook het buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen van die maat moet worden ingebracht. Dat door deze interpretatie wellicht andere voorwaarden gelden voor de inbrengvrijstelling dan die welke kunnen worden gesteld aan de geruisloze inbreng onder de Wet IB 2001, is gerechtvaardigd op grond van de verschillen in het karakter van de twee heffingen en het karakter van daarbij geboden faciliteiten. Volgt gegrondverklaring van het beroep en vernietiging de opgelegde naheffingsaanslag.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
